mismatch onderwijs personeel techniek en bouw

Mismatch in de techniek

Al jaren klaagt het bedrijfsleven over de beperkte vaardigheden van instromend personeel. En nog altijd is er te weinig aansluiting tussen wat in het beroepsonderwijs wordt aangeleerd en wat het bedrijfsleven nodig heeft. Is er dan helemaal niets veranderd?

Over de praktische vaardigheden van instromend personeel doen de wildste verhalen de ronde. Die verhalen kunnen we kenmerken door twee woorden: ‘hamer’ en ‘vasthouden’. Goede verstaanders hebben niet meer informatie nodig. Nu kunnen we er gemakshalve vanuit gaan dat dergelijke opvattingen een behoorlijke dosis overdrijving bevatten. Maar toch is er iets mis met de aansluiting van het beroepsonderwijs met de praktijk van het bedrijfsleven. Dat heeft de Rijksoverheid jaren geleden al onderkend. In 2011 schreef toenmalig minister van Onderwijs, Marja van Bijsterveldt in haar brief naar de Tweede Kamer:

‘De doorlopende leerlijn vmbo-mbo-hbo moet competitieveer worden. Nederland heeft immers dringend behoefte aan vakmensen op alle niveaus. Uit recent onderzoek van het CBS blijkt dat de route via het beroepsonderwijs van essentieel belang is voor jongeren met een lagere sociaal economische achtergrond. Deze jongeren kunnen via het beroepsonderwijs alsnog doorgroeien naar een hoger opleidingsniveau. Een belangrijk doel voor de komende jaren is dan ook het korter en aantrekkelijker maken van de beroepsroute. Hiermee wordt het mbo een beter alternatief voor ouders en jongeren die nu steeds vaker kiezen voor algemeen vormend onderwijs. De arbeidsmarkt heeft dringend behoefte aan goede vakmensen en niet ieder kind is geschikt voor uitsluitend theoretisch onderwijs.’

(uit: Actieplan mbo ‘Focus op Vakmanschap 2011-2015’)

Goede intenties

De problematiek was toen in ieder geval bij alle partijen duidelijk en aan goede intenties ontbrak het bepaald niet. Maar wat heeft dat Actieplan van de MBO-raad nu daadwerkelijk opgeleverd? Betreurenswaardig weinig, als we de technische ondernemers mogen geloven.

“De praktijkervaring van tegenwoordig is nog minder dan circa twintig jaar geleden. In die zin zijn we er dus op achteruit gegaan. We krijgen hier stagiaires Elektrotechniek die niet weten hoe ze een elektromotor moeten aansluiten. Dat is voor mij onbegrijpelijk”. Directeur Ronald van Laar van Ateco windt er geen doekjes om. De technische beroepsopleidingen sluiten bepaald niet aan op de eisen die binnen zijn bedrijf worden gesteld. “Dat betekent dus dat we de nieuwkomers praktisch op niveau moeten zien te krijgen. In mijn ogen komen verantwoordelijkheid én kosten meer en meer op de schouders van het bedrijfsleven. En ik vind dat wij niet alles voor onze rekening hoeven te nemen. Dat je nieuw personeel moet bijscholen is prima, maar we mogen toch van de diverse opleidingen verwachten dat ze de basisvaardigheden bijbrengen. Dat is echter maar zeer ten dele het geval.”

Het lijkt wel alsof de leerlingen in het VMBO en MBO uitsluitend worden volgepropt met theorie. Praktijkonderwijs schijnt bijna volledig verdwenen te zijn. En dat is jammer, omdat juist door dat praktijkonderwijs leerlingen een helderder beeld van de diversiteit van de technische bedrijven krijgen en bovendien beter worden voorbereid op hun feitelijke werk later. Het helpt hen dus ook bij het maken van de juiste keuzes. Praktijkonderwijs heeft dus meerdere voordelen.

“Dat mag dan wel zo zijn, maar de bedrijven moeten de hand ook in eigen boezem steken”, meent Sjoerd Keijzer, coördinator/praktijkleermeester bij GOA Leidingtechniek. “Voorheen had het bedrijven eigen opleidingscentra, maar die zijn zo langzamerhand allemaal wegbezuinigd. Misschien dat eens kan worden nagedacht om gezamenlijk dat praktijkonderwijs weer in de steigers te krijgen. En het is een illusie te denken dat opleidingscentra volwaardige all round monteurs kunnen afleveren. Dat zal altijd een kwestie van learning by doing blijven en dus een taak binnen de bedrijven.”

René Eijsvogel, HRM manager bij Ziut, hecht eraan enige nuance aan te brengen. “Natuurlijk, er is een kloof en die zal er waarschijnlijk altijd wel blijven ook. Maar we moeten die kloof ook niet groter maken dan hij in werkelijkheid was en is. Voorheen lag de nadruk in het onderwijs meer op de praktijk dan nu; dat is voor iedereen helder. Maar we moeten ook vaststellen dat zowel het onderwijs als de werkzame omgeving voortdurend veranderen. Het is dus voor beide partijen van groot belang om de kloof zo klein mogelijk te houden: het onderwijs moet zo goed mogelijk aansluiten bij het bedrijfsleven en andersom moeten de bedrijven rekening houden met de capaciteiten van de instromende werknemers.”

Ontwikkelingen

In dat verband kunnen we echter niet voorbijgaan aan de snelle technologische ontwikkelingen in de diverse branches. Het onderwijs heeft veel inspanningen geleverd om die allemaal bij te houden en dat is in een aantal gevallen niet gelukt. Het is echter de vraag of we de schuld daarvan geheel bij het beroepsonderwijs mogen leggen. Soms lijkt de technische vooruitgang immers sneller te gaan dan men de noodzakelijke leerstof kan schrijven.

Keijzer beaamt dat volmondig. “Die ontwikkelingen gaan snel en het is moeilijk gelijke tred te houden in het onderwijs. Bedrijven kunnen en moeten dat ook niet verwachten. Het onderwijs moet de basisvaardigheden aanleren en daar heeft het behoorlijk aan geschort. Recentelijk is dan ook besloten de praktische component weer zwaarder aan te zetten. Maar dat neemt niet weg dat de daadwerkelijk specialisatie binnen de bedrijven zal moeten plaatsvinden.”

Volgens Eijsvogel wordt er in de regel veel tijd verloren met de overlegstructuren die moeten leiden tot betere aansluiting. “Er worden allerlei vergaderingen belegd en tegen de tijd dat men de oplossing denkt te hebben gevonden, is de wereld al weer veranderd. Dat tempo ligt simpelweg te laag.”

Van Laar geeft toe dat de eisen van het bedrijfsleven steeds verder worden aangescherpt. “Techniek staat niet stil en het kost dus veel inspanning om die ontwikkelingen bij te benen. Daar moeten we met z’n allen ook begrip voor kunnen opbrengen. En dat doen we ook. Waar de meeste bedrijven over klagen, is dat zelfs de meest basale vaardigheden vaak ontbreken. En dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de praktijklessen van weleer voor een belangrijk deel zijn wegbezuinigd. Natuurlijk, praktijklokalen met de bijbehorende apparatuur en gereedschappen kosten nu eenmaal geld, maar zijn tegelijkertijd wel essentieel voor technische opleidingen.” De problematiek wordt in de ogen van Van Laar niet alleen veroorzaakt door budgettaire overwegingen. “Bevlogen leerkrachten die hun leerlingen enthousiast weten te maken voor het vak zijn met een lampje te zoeken. Ik krijg soms leerlingen op snuffelstages en als ik dan met hen een kas binnenloop, staan ze met de ogen te knipperen wat het installatiewerk allemaal inhoudt. Die hebben werkelijk geen idee wat er allemaal gebeurt binnen ons vakgebied.”

“Dat is misschien waar”, vult Keijzer aan. “Maar bedrijven zouden dan ook de moeite moeten nemen hun vakgebied onder de aandacht te brengen. Als er op een ROC een open dag wordt georganiseerd – en daar zullen ze hun instroom toch vandaan moeten halen – schittert het bedrijfsleven vaak door afwezigheid. Je kunt tegenwoordig niet meer blijven stilzitten en wachten tot de mensen naar je toe komen. Een iets actievere opstelling zou veel kunnen veranderen.”

Daar zit zeker een kern van waarheid in. Zeker, de crisis van de afgelopen jaren heeft ook de technische sector niet onberoerd gelaten en in de achterliggende jaren heeft bij veel bedrijven de focus op ‘overleven’ gelegen. Nu de economie weer aantrekt, moet er wellicht meer worden gekeken naar de middellange en lange termijn. En de kwaliteit van personeel is in dat opzicht een factor van groot belang. En, zoals we allemaal weten, kwaliteit heeft nu eenmaal een prijskaartje.

Imago

Maar het is niet alleen de kwaliteit van de instromers die zorgen baart; dat geldt evenzeer voor de kwantiteit. De voorzitter van Uneto-VNI, Doekle Terpstra, heeft in dat kader de noodklok al geluid. Volgens hem krijgen we in de komende jaren te maken met een nijpend tekort aan vakkundige mensen. Dat heeft voor een belangrijk deel ook te maken met het bedenkelijke imago van de technische beroepen. “Je moet echt aan het werk en je krijgt vuile handen”, beaamt Van der Laar. “Dat heeft ook te maken met het gebrek aan kennis over wat techniek allemaal inhoudt. Het vakgebied is simpelweg niet ‘sexy’ genoeg.”

Helaas is die vaststelling maar al te waar. Leerlingen die geïnteresseerd zijn in techniek kiezen en masse voor ICT en aanverwante opleidingen en laten de (elektro)techniek liever links liggen. Dat heeft echter niet alleen met de sterk aanzuigende werking van de ICT-branche te maken, maar zeker ook met de onbekendheid van de werkelijk activiteiten in de technische branches, zoals we eerder hebben kunnen vaststellen. Techniek is in veel gevallen ‘high tech’ geworden en zou daarom toch een aantrekkelijk alternatief ten opzichte van ICT moeten kunnen vormen. Zeker ook, omdat er een bijna 100 procent baangarantie kan worden afgegeven; de branche zit te springen om vakmensen.

“Er zijn wel allerlei initiatieven om dat probleem aan te pakken”, weet Eijsvogel, “maar dat gebeurt allemaal branchebreed. En dat betekent in de praktijk dat de invloed van de grote bedrijven dominant is en dat de kleinere bedrijven er weinig invloed op hebben. En zodoende worden de specifieke problemen van de kleinere bedrijven niet adequaat opgelost.”

“Dat klopt helemaal”, erkent Keijzer. “Maar we doen er als branche toch te weinig aan om de aantrekkelijke kanten van het vak onder de aandacht te brengen. We moeten actiever op zoek naar jonge mensen die in techniek zijn geïnteresseerd. Daar zou een prachtige taak voor de brancheorganisaties kunnen liggen, maar die beperken zich veelal tot het organiseren een overlegstructuur, het geven van een interview vol klaagzang en dat was het dan. Misschien zou het zinvol zijn eens met een marketingbureau te praten over een campagne die de techniek een boost geeft.”

Het imago opkrikken en tegelijkertijd zelf energieker op zoek naar nieuw personeel. Het klinkt, in marketingtermen, als een ‘push and pull’ strategie. En die werkt alleen als beide facetten met volle kracht worden ingezet, zo heeft de ervaring ondertussen wel geleerd.

Nieuwe initiatieven

Zitten de betrokkenen dan stil achterover en wachten ze op de dingen die gaan komen? Nee, zeker niet. Op lokaal en regionaal niveau worden verfrissende initiatieven ontplooid die in ieder geval een deel van het probleem moeten oplossen. Zo heeft de provincie Noord-Holland het voortouw genomen tot de totstandkoming van Tech@Connect, waarbinnen overheden, onderwijsinstellingen en bedrijfsleven de handen ineen hebben geslagen om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen.

“Een prima zaak”, meent Van Laar. “We kunnen we gewoon niet op wachten dat dit probleem op landelijk niveau wordt opgelost. De politiek is simpelweg niet slagvaardig genoeg en dus zullen we dat zelf op kleine schaal moeten doen.”

“Uitstekend”, beaamt Keijzer. “Dergelijke regionale initiatieven zorgen ook voor adequatere oplossingen. In Nederland zijn er aanmerkelijke verschillen tussen provincies en regio’s en dat leidt dus tot compromissen en niet te gerichte oplossingen.”

Ook Eijsvogel ziet heil in dergelijke activiteiten. “We moeten maar eens ophouden met die hausse aan commissies, adviesorganen et cetera. Er is een berg rapporten verschenen en we moeten constateren dat de oplossing nog steeds niet is gevonden. Ik houd van eenvoud: het probleem is duidelijk. Vervolgens wordt er op talloze plekken gezocht naar sluitende oplossingen en de generale conclusie is dat het niet sluitend op te lossen is. We moeten het probleem alleen zo klein mogelijk zien te maken en dat kan het beste op kleine schaal stappen te maken.”

Dat neemt overigens niet weg dat er ook op nationale schaal moet worden bekeken waar stappen kunnen worden gezet. Het beroepsonderwijs moet immers grosso modo aan dezelfde eisen voldoen en daarvoor is nu eenmaal landelijke regelgeving noodzakelijk. Maar de ervaringen van de regionale initiatieven zouden bij die discussie wel eens zeer belangrijke input kunnen leveren. De beste aanpak zou wel eens ‘bottom up’ kunnen zijn.

 

Onderwijs en educatie zijn van het grootste belang voor ondernemers. Zij vormen het fundament voor de continuïteit van een bedrijf of branche. Op 11 april a.s. organiseert Onsnoordholland een Ronde tafel gesprek over dit onderwerp. Wilt u daar bij zijn? Of wilt u meer informatie. Neem dan contact op met Marco Velt, email sales@onsnh.nl