Rondetafelbijeenkomst techniek en opleiding

Rondetafelgesprek techniek & opleiding terugblik

Volgens het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) hebben de bouw- en infrasector de komende vijf jaar zo’n achtduizend man nieuw personeel per jaar nodig om aan de groeiende vraag uit de markt te voldoen. In het onderwijs daalt het aantal leerlingen op bouw- en infraopleidingen echter al jaren steevast, met name op het mbo.

Zie hier kort samengevat de grootste uitdaging waarmee de technische branches in de komende jaren zullen worden geconfronteerd. De grootste struikelblokken: korte termijnvisies en gebrek aan onderling vertrouwen tussen de betrokken partijen. Op 10 mei jl. organiseerde Onsnoordholland een eerste Rondetafelgesprek over de mismatch in de techniek. Met aan tafel gespreksgenoten die technische opleidingen tot  hun dagelijkse praktijk mogen rekenen. En al snel werd duidelijk dat het analyseren van die mismatch veel gelijkenis met het ontwarren van een gordiaanse knoop vertoont.

“Maar één ding staat als een paal boven water”, meent Martin de Haan, opleidingsmanager bij ROC Amsterdam. “Er kiezen in verhouding nog steeds teveel jongeren voor administratieve functies. Terwijl we juist aan vaklieden, technici in de komende jaren een grote behoefte hebben. Dat heeft alles te maken met de beeldvorming die rond de technische beroepen is ontstaan.”

Danny Ouwendijk, directeur van GOA Leidingtechniek, onderstreept dat. “Je komt er in veel gevallen niet aan toe om uit te leggen wat voor een belangrijk en gevarieerd werk er in de ondergrondse nuts infra te doen is. Of wat de carrièreperspectieven zijn. Veel mensen denken dat inframonteurs alleen maar sleuven en gaten graven tegen een heel laag salaris. Die beeldvorming blijkt heel moeilijk te doorbreken.”

Aan de andere kant worden er op de opleidingen soms ook te hoge verwachtingen gewekt. “Sommigen hebben het idee dat ze binnen de kortste keren directeur van een bedrijf zullen zijn”, merkt Boris Gregec, directeur van Geris Bouwtechniek op. “En dan blijkt de dagelijkse praktijk van een monteur toch tegen te vallen.”

“Klopt”, vult De Haan aan. “Mensen die een vierjarige opleiding voor het middenkader hebben gevolgd, worden binnen sommige bedrijven als monteur ingezet om eerst het monteurswerk leren kennen. Dat is voor velen een domper en dat betekent in veel gevallen dat ze uitkijken naar ander werk. Daar verliezen we dus mensen mee. Het is daarom belangrijk om als bedrijven, scholen en leerlingen te praten over de onderlinge verwachtingen.”

Initiatieven

Het negatieve imago ten spijt, zullen er in de komende jaren toch duizenden nieuwe monteurs en technici gevonden moeten worden. De markt – en zeker de marktontwikkelingen – vragen daarom.

“Daarvoor lopen er allerlei programma’s, geïnitieerd door de brancheorganisatie”, weet Jan Boerhof, bedrijfsleider van Opleidingscentrum Gelderpoort. “En ik heb de indruk dat die wel vruchten afwerpen. Je moet alleen constateren dat het helaas nodig is dat er zulke programma’s worden opgetuigd. Het zou beter zijn als de markt zichzelf op dat punt zou hebben gereguleerd. Wat doe je in een recessie? Ga je dan in de toekomst investeren, ook op het vlak van opleiding en personeel, of ga je knijpen? Alle leerboeken leren het eerste, maar de dagelijkse praktijk – en dat geldt bijvoorbeeld ook voor de rijksoverheid, dat toch een groot voorbeeld in deze is – is dat er zoveel mogelijk bezuinigd wordt.”

Boerhof vraagt zich af of er voldoende vertrouwen is tussen de marktpartijen onderling. “Wij hebben in de ondergrondse kabel- en leidinginfra te maken met een beperkt aantal opdrachtgevers, de netbeheerders. Als die aangeven dat ze werk hebben en dus mensen nodig, rijst bij de aannemers ogenblikkelijk de vraag: voor hoelang? Die zijn namelijk al een paar keer van een koude kermis thuisgekomen. En dan geldt het aloude cliché: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Alleen door commitment kun je dit doorbreken.”

Minder instroom

Daarbij komt nog een ander probleem, voert Ouwendijk aan. “Om een volwaardig storingsmonteur op te leiden, kost vier tot vijf jaar. Het personeelsprobleem is dus niet op korte termijn op te lossen. Doordat bedrijven hebben bezuinigd op onder andere opleidingen, is de instroom nu bijvoorbeeld 30 procent minder dan vier jaar geleden. Dat gaat dus een keer fout.”

Dat die instroom minder is dan in het verleden, kan nauwelijks een verrassing zijn, vindt Rien van den Berge, directeur/eigenaar van KAT. “Mensen moeten die opleiding als ww-er of zzp-er vaak zelf betalen, maar krijgen vervolgens geen enkele garantie op werk. Die steken hun zuurverdiende spaarcentjes liever in iets anders. Het zou al een stuk beter zijn als bijvoorbeeld de netbeheerders bepaalde garanties afgaven op werk en aantallen mensen, zodat ook de investeringsbehoefte bij aannemers toeneemt.”

“Maar blijkbaar zit de schrik van de recessie er inmiddels goed in, want er zijn vele voorbeelden van grootscheepse plannen met tientallen op te leiden monteurs die in het zicht van de haven zijn gestrand op het ontbreken van toezeggingen en garanties”, aldus Gregec.

“Gezien die weigerachtige houding zou je je zelfs wel kunnen afvragen of we daadwerkelijk tekorten hebben”,  poneert Boerhof. “Als er echt, absoluut mensen nodig zijn, dan komt het bedrijfsleven wel over de brug. Daarvan zijn veel voorbeelden te noemen. Maar in andere regio’s en sectoren blijft de twijfel toch overheersen. Blijkbaar is het water nog niet aan de lippen in alle Nederlandse regio’s.”

Wegkopen personeel

Dat er ook andere methodes zijn om het probleem binnen bedrijven op te lossen, zien we jammer genoeg meer en meer in de praktijk. Opdrachtgevers en aannemers weken de betere monteurs en de toptalenten los bij hun onderaannemers en lijven ze tegen verhoogde salarissen in. Waardoor de oorspronkelijke werkgever wel de lasten (de opleidingskosten) heeft, maar nauwelijks de lusten en simpelweg weer de volgende lichting monteurs naar de opleidingsinstituten kan sturen. Dat over en weer weghalen van personeel is een verschijnsel dat in diverse regio’s al voor de nodige onderlinge problemen heeft gezorgd. En die praktijken doen het noodzakelijke onderlinge vertrouwen uiteraard helemaal geen goed.

“Het weghalen van goede mensen tussen aannemers en installatiebedrijven is natuurlijk van alle tijden”, weet Van den Berge. “Dat is ook een vorm van concurrentie en daarover moeten we misschien niet te krampachtig doen. Maar het wordt anders als een opdrachtgever die ook een uitvoerend bedrijf is, mensen via een aannemer inhuurt en vervolgens de beste er uit selecteert en inlijft. Daarmee worden de noodzakelijke investeringen en de risico’s dus doelbewust bij een groep partijen gelegd en hol je in feite de hele sector uit. Je kunt niet aan de ene kant maar plukken en vervolgens geen vinger uitsteken om aan de onderkant de instroom te genereren.”

“De eerste indrukken van de programma’s van Bouwend Nederland geven wat dat betreft toch wel hoop op een betere toekomst”, weet Boerhof. “Als ik merk dat opdrachtgevers en aannemers toch bereid zijn om over elkaars schuttingen te kijken en daar waar mogelijk en noodzakelijk een helpende hand toe te reiken, dan hebben we in ieder geval een slag gewonnen. Dat geeft in ieder geval hoop dat we gezamenlijk ook stappen kunnen zetten om die noodzakelijke instroom te vergroten.”

Vertrouwen

Opdrachtgevers zouden dus een waardevol signaal kunnen afgeven door in deze een risico te nemen en bepaalde garantstellingen af te geven. Dat zou het vertrouwen en de investeringsbereidheid bij aannemers en installatiebedrijven aanmerkelijk doen toenemen. “Daartoe zou echter wel het heersende korte termijn denken doorbroken moeten worden”, stelt Van den Berge. “Want alle partijen focussen zich op het lopende boekjaar; dat moet goed worden afgesloten. En daar passen klaarblijkelijk personeelsinvesteringen op middellange termijn niet bij. Ze leven van dag tot dag. En ze hopen dat als er problemen of tekorten ontstaan, de prijzen vanzelf omhoog gaan.”

“Dat klopt”, erkent Boerhof. “Maar er zal ook kritisch naar tarieven gekeken moeten worden, want zolang aannemers tussen de 1 en 2 procent verdienen, is er onvoldoende ruimte voor innovaties en investeringen. De meeste bedrijven kunnen feitelijk helemaal niets, terwijl ze vinden dat ze een goed jaar hebben gedraaid. Dat is een fnuikende vorm van kortzichtigheid. Er zal ook samenwerking op doorstroomgebied moeten plaatsvinden. Aannemers kunnen zo hun eigen personeel voorsorteren bij de netbeheerders zodat dit voor alle partijen, met de werknemers voorop, tot een beheerste doorstroom leidt.”

Die kortzichtigheid staat de noodzakelijke visie op de brancheontwikkelingen lastig in de weg. Daardoor komt structureel onderling overleg maar lastig van de grond. Gelukkig zijn er vanuit de brancheorganisaties initiatieven ontplooid om dat overleg wel tot stand te brengen, maar er zijn nog wel degelijk stappen te maken voor het noodzakelijke onderlinge vertrouwen weer op een aanvaardbaar niveau is. En dat mag toch wel een onontbeerlijke voorwaarde worden genoemd voor het reorganiseren van het opleidingstraject, zodat de mismatch grondig kan worden aangepakt. En het is zeker noodzakelijk om in gezamenlijkheid nu eindelijk eens de schouders te zetten onder gerichte activiteiten die moeten leiden tot een beter imago. Want niet alleen zou dat als een katalysator voor de oplossing van het kwantitatieve personeelsprobleem fungeren; de technische beroepen horen het ook de waardering te krijgen die ze verdienen.

Danny Ouwendijk van Goa Leidingtechniek:

Boris Gregec van Geris Bouwtechniek:

Misschien ook leuk:

http://onsnh.nl/mismatch-in-de-techniek-campagnes/

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *