Berichten

contract

Non-concurrentiebeding in franchiseovereenkomsten

Zijn er mogelijkheden om de geldigheid hiervan aan te tasten?

Zoals bekend kan een werknemer regelmatig de houdbaarheid van een bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst  overeengekomen non-concurrentiebeding aantasten. Maar hoe zit het met de franchisenemer die met een (grote) franchisegever een franchiseovereenkomst heeft gesloten? Kan de franchisenemer bij de beëindiging van deze franchiseovereenkomst ook onder omstandigheden onder het eerder gesloten non-concurrentiebeding uit?

Franchisenemers ontvangen bij het toetreden tot een franchiseformule vaak vertrouwelijke informatie van de franchisegever. Ook komt het vaak voor dat de franchisegever een franchisenemer in contact brengt met allerlei relaties. Iedereen voelt aan z’n water aan dat het natuurlijk niet de bedoeling is dat een franchisenemer de franchisegever enkel als ‘opleidingsinstituut’ gebruikt en de franchisenemer aldus na een (relatief) korte periode vrijwillig afscheid neemt van de franchiseformule om vervolgens concurrerende activiteiten te ontplooien met gebruikmaking van de eerder verkregen kennis, netwerk en knowhow. Om te voorkomen dat de door de franchisegever aan een franchisenemer overgedragen kennis en knowhow na het einde van de franchiseovereenkomst voor zogeheten oneigenlijke concurrentie wordt gebruikt, zal de franchisegever (onder andere) een zogeheten postcontractueel non-concurrentiebeding willen afspreken.

De franchisegever moet aldus in staat moet worden gesteld om zijn kennis en knowhow over te dragen aan een franchisenemer en daarbij preventieve maatregelen te nemen zonder het risico te hoeven lopen dat deze informatie ten goede komt aan concurrenten.

Maakt dat het door partijen overeengekomen postcontractueel non-concurrentiebeding onaantastbaar? Nee, maar het terzijde leggen van een dergelijk beding kan (logischerwijs) niet zonder meer.

Hieronder bespreek ik een aantal argumenten op basis waarvan bij of na de beëindiging van de franchiseovereenkomst de franchisenemer succesvol zou kunnen ageren tegen het postcontractueel gesloten non-concurrentiebeding.

Strijd met mededinging

Een non-concurrentiebeding is in beginsel strijdig met de mededinging; het beding belemmert immers dat een ondernemer zijn eigen beleid kan bepalen. Omdat echter de franchisegever in staat moet zijn om vertrouwelijke informatie aan een franchisenemer te verstrekken zonder het risico te lopen dat deze informatie ten goede komt aan concurrenten, is een non-concurrentiebeding in beginsel toelaatbaar.

Een postcontractueel non-concurrentiebeding kan echter in strijd zijn met het kartelverbod opgenomen in de Mededingingswet. Is er echter sprake van een ‘kleine’ franchiseformule, met een beperkte omvang en minimale jaaromzet, dan kan de ‘kleine’ franchisegever waarschijnlijk een beroep kunnen doen op de zogenoemde ‘bagatelvoorziening’ en is een beroep op de Mededingingswet om het non-concurrentiebeding van tafel te krijgen kansloos. Meer informatie hierover kan worden ingewonnen bij de advocaten van Scherp Advocaten.

Redelijkheid en billijkheid: onaanvaardbare gevolgen

Een contractuele bepaling tussen partijen is niet van toepassing als deze bepaling (gelet op de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) onaanvaardbare gevolgen heeft. De franchisenemer zal derhalve dienen te stellen en – bij betwisting door de franchisegever – te bewijzen dat het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als hij / zij aan het desbetreffende non-concurrentiebeding wordt gehouden.

Of een non-concurrentiebeding in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar wordt geacht door een rechter, is een beoordeling waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Denk daarbij aan de looptijd van de franchiseovereenkomst, de duur en omvang van het non-concurrentiebeding, de activiteiten die een franchisenemer feitelijk gedurende de franchise heeft uitgevoerd, alsmede de persoon van de franchisenemer zelf. De gevolgen van nakoming van het non-concurrentiebeding spelen ook een rol, zoals het verstoken blijven van inkomsten, alsmede het ontbreken van mogelijke alternatieven om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Het feit dat een voormalige franchisenemer gedurende een bepaalde periode verstoken blijft van inkomsten betekent niet automatisch dat het non-concurrentiebeding onaanvaardbaar zou zijn, temeer als de desbetreffende franchisenemer het non-concurrentiebeding eerder willens en wetens heeft aanvaard.

Voor deze beoordeling zijn ook de wijze en het moment waarop de franchiseovereenkomst is komen te eindigen van belang, alsmede het verwijt dat (een van de) partijen daarvoor mogelijkerwijs te maken valt.

Een franchisenemer die uit eigen beweging de franchiseovereenkomst beëindigt, zal minder snel bescherming genieten dan een franchisenemer die noodgedwongen en voortijdig de samenwerking heeft moeten staken. Daarentegen kan een franchisenemer onder omstandigheden niet gehouden worden het postcontractuele non-concurrentiebeding na te komen indien franchisegever beëindiging van de overeenkomst te wijten heeft aan ‘haar eigen opstelling en gedrag’. Het gerechtshof Den Bosch heeft in dat kader bepaald dat indien het laakbaar geachte gedrag van de franchisegever bestaat uit het voorafgaand aan het tekenen van de franchiseovereenkomst, verstrekken van een ondeugdelijke exploitatieprognose aan de (kandidaat-)franchisenemer, dat dan de nakoming van het non-concurrentiebeding (in dat specifieke geval) niet kan worden gevorderd.

Ander laakbaar gedrag is uiteraard ook zonder meer denkbaar, zoals bijvoorbeeld een schending van de zorgplicht van de franchisegever aangaande voortdurende ondersteuning en bijstand. Dit dient echter wel zorgvuldig door de franchisenemer worden onderbouwd hetgeen niet beschouwd dient te worden als een sinecure.

Voor zover de door een franchisenemer gestelde onaanvaardbaarheid voortvloeit uit een omstandigheid die voor rekening en risico dient te komen van een franchisenemer zelf, dan zal de rechter dat onder het kopje ‘ondernemersrisico’ scharen. Het kan de franchisegever dan niet worden tegengeworpen. De omstandigheid, bijvoorbeeld, dat de (ex-)franchisenemer mogelijk een faillissement riskeert door het non-concurrentiebeding na te moeten komen, dient in beginsel voor rekening en risico te blijven van de (ex-franchisenemer. Die lijn is onlangs door rechters van de rechtbanken te Amsterdam, Den Haag en Midden-Nederland in drie verschillende kwesties bevestigd.

De rechtbank Den Haag oordeelde echter wel dat dat het de (ex-)franchisenemer enkel verboden was om concurrerende activiteiten te ontplooien vanaf het moment dat de franchisegever in het contractsgebied daadwerkelijk weer een onderneming (in dat specifieke geval een boekwinkel) zou gaan (laten) exploiteren. Tot dat moment mocht de (ex-)franchisenemer dus, in strijd met het non-concurrentiebeding, concurrerende activiteiten ontplooien. Zeer recent heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland ook een non-concurrentieverbod buiten toepassing verklaard omdat de franchisegever slechts een gering belang had bij handhaving van het beding. In het contractsgebied zou nadat de franchiseovereenkomst uiteindelijk was beëindigd, zich geen andere franchisenemer gaan vestigen. Er zou aldus geen concurrentie plaatsvinden.

De rechter zal bij de beoordeling of dit argument kan slagen echter de nodige terughoudendheid moeten betrachten: er moet aan zware eisen worden voldaan voordat een contractueel overeengekomen beding onaanvaardbaar wordt geacht.

Onredelijk bezwarend beding

Naast voornoemde route kan eveneens als argument worden ingebracht dat het beding gekwalificeerd dient te worden als een algemene voorwaarde en dat deze onredelijk bezwarend is. Dit argument wordt vooral in de literatuur naar voren gebracht.

Voor de beoordeling of een non-concurrentiebeding onredelijk bezwarend is, zijn onder meer van belang de aard en overige inhoud van de franchiseovereenkomst, de wijze waarop het non-concurrentiebeding tot stand is gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen, de deskundigheid en rechtskennis van partijen, de onderlinge verhouding van partijen, de (deskundige) begeleiding van partijen, de maatschappelijke positie van partijen en de overige omstandigheden van het geval. Net als in voornoemde route is er derhalve sprake van een casuïstische beoordeling van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval.

Het is aan de franchisenemer om te onderbouwen waarom het non-concurrentiebeding in zijn/haar optiek onredelijk bezwarend is. Zo kan nagenoeg altijd worden opgemerkt dat de franchisenemer geen

invloed kan uitoefenen op de inhoud van de franchiseovereenkomst, dus ook niet op het non-concurrentiebeding. Het kan daarbij van belang zijn of een franchisenemer ten tijde van het tekenen van de franchiseovereenkomst is bijgestaan door een advocaat/jurist. Wat betreft de belangenafweging zal het doorgaans gaan om een afweging tussen de belangen van een franchisenemer om in zijn levensonderhoud te kunnen (blijven) voorzien en de belangen van de franchisegever om geen oneigenlijke concurrentie te hoeven dulden. Wordt door een rechter geconcludeerd dat een non-concurrentiebeding onredelijk bezwarend is, dan kan een franchisenemer het beding vernietigen. De franchisegever kan er dan geen beroep (meer) op doen.

Indien het non-concurrentiebeding echter niet in alle/het merendeel van de door de franchisegever gesloten franchiseovereenkomsten zijn opgenomen (of in gewijzigde vormen) dan kan de franchisegever eenvoudig aantonen dat er geen sprake is van een algemene voorwaarde en zal dit argument niet kunnen slagen.

Last but not least: onduidelijkheid beding

Indien toch vastgesteld wordt dat het non-concurrentiebeding niet op voorgaande gronden kan worden aangetast en deze aldus (geheel/gedeeltelijk) blijft bestaan, kan tenslotte op de inhoud van het beding vaak nog wel wat worden aangemerkt.

Non-concurrentiebedingen blinken vaak niet uit in duidelijkheid en leesbaarheid. Daardoor kan tussen partijen discussie ontstaan over de uitleg van het non-concurrentiebeding. Voor de wijze waarop een beding in een overeenkomst moet worden uitgelegd zijn van belang alle omstandigheden van het concrete geval. Daarbij moet niet alleen gelet worden op de letterlijke tekst van het non-concurrentiebeding, maar komt het ook aan op de zin die partijen over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De franchisenemer heeft een klein strategisch voordeel ten opzichte van de franchisegever. De rechter zal een non-concurrentiebeding gezien de aard van het beding immers restrictief moeten uitleggen: dat houdt in dat een onduidelijk non-concurrentiebeding in beginsel ten nadele van de opsteller van het beding (lees: de franchisegever) moet worden uitgelegd.

Het is aan de franchisegever om te bewijzen dat zij de bepaling anders bedoelden dan de uitleg die de franchisenemer eraan geeft en dat de franchisenemer bij ondertekening van de overeenkomst bekend was met deze uitleg. Dat kan een lastige opgave worden voor de franchisegever en reden te meer is bij het opstellen van dergelijke bedingen zo belangrijk om niet zomaar een bepaling te ‘knippen’ en ‘plakken’ uit een model/overeenkomst van een concurrent.

 

Meer vragen over franchiseovereenkomsten? Ik ben net als mijn kantoorgenote Rosie de Weerd gespecialiseerd in contractenrecht en krijg veelvuldig te maken met (o.a.) franchiseovereenkomsten. Wij staan zowel franchisegevers al franchisenemers bij. Zowel voor advies voorafgaand bij het aangaan van franchiseovereenkomsten, (proces)advies indien de eerste barsten in de samenwerking zijn ontstaan, als bijstand indien er reeds een geschil is gerezen, wij kunnen u bijstaan.

 

ei columbus

Transformatie tot duurzaam vastgoed; het ei van Columbus?

Column Jan Overtoom |  Vastgoed duurzaam transformeren

Iedereen is het over één ding eens: de komende jaren moet er fors gebouwd worden in onze provincie. Het aantal huishoudens stijgt aanzienlijk en volgens de Provincie Noord-Holland moeten er minimaal 240.000 woningen tot 2040 worden gerealiseerd. Uit onderzoek blijkt dat deze doelstelling nog te conservatief is. Sommigen hanteren nu al het streefgetal van 320.000 woningen. Zoals gezegd, het aantal huishoudens stijgt en dat heeft een paar oorzaken: de groei van de bevolking en het feit dat ouderen steeds langer thuis blijven wonen. Dan heb ik het nog niet eens gehad over de huidige instroom van migranten en vluchtelingen, die ook gehuisvest moeten worden. Het is echter de gezinsverdunning (minder personen in één huishouding) die vooral om méér woonruimte vraagt. De  prangende vraag die gemeenten en provincie bezig houdt is waar die te bouwen woningen gerealiseerd moeten worden. Deze vraag heeft al geleid tot felle discussies tussen degenen die vinden dat alles binnenstedelijk (en dan ook nog met name in Noord-Holland-Zuid) moet worden gebouwd en voorstanders van uitleglocaties of de ‘groene weilanden’. Helaas is het een soort richtingenstrijd geworden, waarbij beide partijen met aantallen, cijfers en analyses goochelen om hun gelijk kracht bij te zetten. Helaas is het zelden de nuance die als overwinnaar uit de strijd tevoorschijn komt.

Lees meer

amsterdam

Wonen in Amsterdam straks onbetaalbaar, waar gaan we dan wonen?

Denkt u wel eens terug aan de nieuwsberichten van een paar jaar geleden? Ons vertrouwen in de woningmarkt was tot een nulpunt gedaald: dalende prijzen, executoriale verkopen, huizen die onder water stonden. De huizenmarkt was als een plumpudding in elkaar gezakt. Veel kopers bleken zich vertild te hebben aan een te dure woning met een te hoge hypotheek. Als je dan ook nog eens werkloos wordt is Leiden definitief in last. Door de financiële en economische crisis verslechterde de situatie in de bouwsector, waardoor bedrijven failliet gingen of moesten reorganiseren. Gevolg: een groot aantal bouwvakkers ging gedwongen op zoek naar nieuw emplooi. Het consumentenvertrouwen daalde tot een historisch dieptepunt. Makelaars zaten duimen te draaien in hun fraaie kantoren.

Velen waren ervan overtuigd dat de huizenbouw definitief tot stilstand was gekomen. In de media, op straat en in de kroeg waren geluiden te horen als: “Kijk eens naar de leegstand. Er zijn genoeg woningen! Woningnood bestaat niet! Iedereen heeft een dak boven zijn hoofd!”. Menig bestuurder was dezelfde mening toegedaan. Maar, zoals u weet, zijn er behalve meningen ook nog  feiten. En ook zijn er wetenschappelijke instellingen die feiten beoordelen en verkenningen doen. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) bijvoorbeeld. Op basis van demografische ontwikkelingen heeft het EIB in een verkenning berekend dat, uitgaande van een evenwichtige groei van de economie, het aantal huishoudens in Nederland zal stijgen van 7,5 miljoen naar zo’n 8,5 miljoen in 2040. Die stijging is met name een gevolg van de toename van het aantal ouderen dat zelfstandig blijft wonen, het aantal eenpersoonshuishoudens en de groei van het aantal inwoners.

Deze verwachte stijging is niet gelijkelijk over Nederland verdeeld. Noord-Holland is na Flevoland en Utrecht de snelst groeiende provincie van Nederland. Op haar beurt vertoont de regio rond Amsterdam binnen de provincie weer de snelste groei. Maar ook de woningbehoefte in Noord-Holland-Noord mogen we niet onderschatten. De prognoses hiervoor lopen uiteen van 40.000 tot 100.000 woningen.

De uiteindelijke vraag zal volgens mij vooral bepaald worden door de huizenprijzen. Naarmate deze in de regio Amsterdam hoger komen te liggen, wordt men gedwongen op een grotere afstand te gaan wonen. Dat is geen typisch Nederlands verschijnsel. Zo zijn in de regio Parijs de prijzen van onroerend goed onbetaalbaar, zeker binnen de Boulevard Périphérique, waardoor er steeds meer forenzen zijn die een lange reistijd voor lief moeten nemen.

Afgelopen week konden we lezen dat vermogende Chinezen en Russen interesse tonen in Amsterdams vastgoed. Niet alleen in de hoofdstad zelf, maar ook in  de omliggende gemeenten. Los van de vraag of we daar blij mee moeten zijn (denk aan Londen dat inmiddels veel onbewoonde, verwaarloosde huizen kent die alleen maar als belegging zijn aangekocht), zullen de huizenprijzen in de regio Amsterdam de komende jaren fors stijgen. Daar komt nog bij dat in Amsterdam veel werkgelegenheid zal worden gecreëerd door de groei van de economie en de talrijke startup-bedrijven.

Voor de doorsnee werknemer met een gezin is er dan eigenlijk geen keuze meer: wonen in Amsterdam is niet meer te betalen, dus zal er een woonplek verderop gezocht moeten worden, bijvoorbeeld in Noord-Holland-Noord. Daar is betaalbaar en groen wonen nog wél mogelijk. De woningbehoefte in NHN zal dus sterk toenemen. De Noord-Hollandse woningmarkt is meer dan ooit gebaat bij visionaire bestuurders, die verder durven te kijken dan de dag van morgen. Laten we hopen dat onze huidige bestuurlijke elite uit het juiste hout gesneden is om de uitdagingen van de toekomst aan te pakken.

Jan Overtoom

Kiezen-verkiezingen-stemmen (Small)

Noord-Holland waar we wonen

Woensdag 18 maart aanstaande is het weer zover: dan mogen we weer met zijn allen naar de stembus. Nu eens niet omdat er weer een kabinet is gevallen, maar omdat het provinciaal bestuur er vier jaar op heeft zitten. In de tussenliggende jaren was het tamelijk rustig aan het front der gedeputeerden. Slechts zo nu en dan deden de provinciale bestuurders van zich spreken, maar de komende paar weken komt daar beslist verandering in. Dan breken topdrukke tijden aan voor de heren en dames politici. Bedrijfsbezoeken, interviews, verkiezingsdebatten zorgen voor overvolle agenda’s.

Lees meer

Bouwkeet

Bouwers op het Binnenhof

Maandag 29 september was het zover. Een kleine twintig Noord-Hollandse bouwondernemers togen per bus naar het Binnenhof in Den Haag voor een ontmoeting met leden van de Tweede Kamer. Het onderhoud was onderdeel van een serie gesprekken van bouwers uit het hele land met nationale politici.

 

Plaats van rendez-vous: een bouwkeet vóór het gebouw van de Tweede Kamer, een initiatief van Bouwend Nederland. Het gesprek van de Noord-Hollandse bouwers met de Kamerleden betrof de situatie in de bouwsector in Noord-Holland en het verlangen van gerenommeerde bouwers om ‘gelijk aan de streep’ de concurrentie met andere bedrijven aan te gaan. Vanuit de Kamer waren Sybrand Buma (CDA), Jeroen Recourt (PvdA), Roos Vermeij (PvdA) en Roald van der Linde (VVD) aanwezig. Als externe stakeholder was ook Friso de Zeeuw, directeur nieuwe markten van het Bouwfonds, aangeschoven.

Grote behoefte aan nieuwbouwwoningen

Hoewel de bouw beroerde tijden doormaakt (40% van de werkgelegenheid is vervallen), is er thans enige reden voor optimisme. Algemeen wordt erkend dat aan het eind van de lange tunnel licht gloort. Volgens De Zeeuw (oud-gedeputeerde in Noord-Holland) is de potentiële bouwopgave voor Noord-Holland enorm. Tot 2040 moeten er in de provincie nog zo’n 240.000 woningen bijgebouwd worden. Dat heeft onder meer te maken met de toename van het aantal huishoudens in de komende jaren, met name in Noord-Holland-Zuid. De opmerkingen van het Planbureau voor de Leefomgeving, die een waarschuwing inhouden voor een te grote bouwproductie, vallen volgens De Zeeuw dan ook in de categorie lariekoek. De vraag is namelijk groot en komt nu los. Er moet niet gebouwd worden met de handrem aan, maar plank gas! Als dat niet gebeurt zal er woningschaarste worden gecreëerd, zoals in het verleden. De prijzen zullen fors gaan stijgen met alle bedenkelijke gevolgen van dien. Kortom, overheden moeten er aan meewerken woningbouwplannen snel in productie om te zetten, voordat schaarste toeslaat. De aanwezige politici onderkenden de toekomstige woningbehoefte.

Gelijk aan de streep

Het ligt echter niet in het vermogen van de Tweede Kamer om dat proces te versnellen, maar het punt van het ‘gelijk aan de streep’ starten, dat wil zeggen concurreren op basis van een gelijk speelveld, kan wél in Den Haag aangekaart worden. Voor bouwbedrijven die zich keurig aan alle soorten regelgeving houden, is het moeilijk concurreren, gelet op de aanwezigheid van zwartwerkers, ontduikers van Arbo- en Milieuwetgeving en buitenlandse arbeidskrachten die niet via de Bouw-CAO werken. Natuurlijk zou de kwaliteit die geleverd wordt de doorslag moeten geven bij de opdrachtgever, maar helaas is de prijs vaak het enige dat telt. De controle op de naleving van wetgeving is absoluut onvoldoende. Het valt op dat bonafide bedrijven veelvuldig worden gecontroleerd, terwijl bouwwerken waar nergens een bord van een bouwbedrijf valt te bekennen, niet of nauwelijks door opsporingsambtenaren worden bezocht. Dit leidt bij bouwers tot frustratie en tot de hartenkreet meer aandacht te besteden aan het ‘pakken van de boeven’ in plaats van bonafide bouwbedrijven hinderlijk lastig te vallen.

Gebrek aan vakbekwaam personeel

Een ander punt van zorg dat in de gesprekken met de Kamerleden naar voren kwam, is het gebrek aan vakbekwaam personeel. Als straks de bouw weer aantrekt zijn er te weinig vakmensen die het werk kunnen uitvoeren. Dat zal een overspannen bouwmarkt tot gevolg

hebben, waar niemand op zit te wachten. De vakopleidingen zijn de laatste jaren afgebouwd en de bedrijfsscholen die de sector tijdens de vorige crisis heeft opgericht, maken moeilijke tijden door. Dit kabinet heeft weliswaar in de Troonrede de Koning laten zeggen dat de meester-gezel opleiding weer leven wordt ingeblazen, maar het is niet te verwachten dat dit voornemen zal leiden tot een aanzienlijk grotere instroom van jongeren in de sector. Volgens de Kamerleden zal men ernaar moeten streven de bouw bij jongeren een beter imago te bezorgen. Velen van hen kiezen in deze tijd van jeugdwerkeloosheid nog steeds voor beroepen met weinig perspectief, zoals de zorg, terwijl de bouwsector hun een mooie toekomst kan bieden. Meer en betere voorlichting over de kansen in de bouw is essentieel en in het belang van de totale economie.

Na een vruchtbare gedachtewisseling verlieten de Kamerleden de bouwkeet van Bouwend Nederland om weer terug te keren naar hun natuurlijke habitat. Voor de bouwers was de reis naar Den Haag de moeite waard, al was het maar vanwege de gelegenheid die ze kregen om zonder veel parlementaire bewoordingen de problemen én de mogelijkheden in hun sector te verwoorden en toe te lichten. Dat deden ze luid en duidelijk, in de hoop dat hun pleidooi straks in de Tweede Kamer weerklank zal vinden.

 

Jan Overtoom – Bouwend Nederland

Foto: Bouwers in de Bouwkeet in gesprek, met op de eerste rij v.l.n.r. : Dick Singerling, Sybrand Buma, Roald van der Linde, Roos Vermeij, Friso de Zeeuw en Jeroen Recourt.

verkiezingen

Statenverkiezingen 2015 werpen hun schaduw vooruit

Maart 2015 vinden de Statenverkiezingen plaats. Misschien denkt U ‘dat is nog ver weg’. Maar de tijd gaat sneller dan u denkt. En regeren is vooruitzien. Vandaar dat Bouwend Nederland alvast een wensenlijstje heeft neergelegd bij de politieke partijen die in de Staten vertegenwoordigd zijn.

Provincies hebben niet altijd bestaan. Om uw geheugen op te frissen: ze zijn in de grondwet van 1814 voor het eerst opgenomen en werden een bestuurslaag met minder macht dan de gewesten die er tot dan toe waren. De Commissaris der Koning was de tussenpersoon tussen het rijk en de provincie. Heden ten dage wordt het belang van de provincie vaak onvoldoende onderkend. Ten onrechte. Ze houdt zich onder andere bezig met tal van economische en culturele kwesties en ze draagt zorg voor een behoorlijke infrastructuur. Om kort te gaan: ze oefent grote invloed uit op ons leven. Afgelopen jaar mocht ze zich verheugen in een plotseling oplevende belangstelling van het Nederlandse publiek. Dit heuglijke feit was te danken aan het plan van het kabinet en de minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk om de Provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland tot één ‘superprovincie’ te smeden. Dit fusievoornemen bracht actiegroepen op de been, die met ongekend enthousiasme en grote inzet de voordelen van de huidige bestuurlijke indeling over het voetlicht brachten. En niet zonder resultaat. Het breed gedragen bezwaar tegen de fusie maakte indruk, ook in regeringskringen. Het heeft er toe geleid dat de superprovincie, officieel Noordvleugelprovincie genaamd, maar in de volksmond vaak weggezet als FLUT-Provincie, niet doorgaat en de Provincie Noord-Holland gewoon blijft bestaan. Het is te hopen dat het getoonde elan niet wegzakt, maar zal leiden tot een behoorlijke opkomst bij de verkiezingen op 18 maart 2015. In 2011 bedroeg die slechts een magere 57%, niet bepaald een percentage waar grote belangstelling uit valt af te leiden.

Onderschat rol provincie niet

Ik zei het al, de rol van de provincie mag niet worden onderschat. Over veel zaken bezit ze namelijk beslissingsbevoegdheid. Ze is verantwoordelijk voor de aanleg van natuur, de aanleg en onderhoud van het provinciale wegennet en ze oefent toezicht uit op de gemeenten. Op het terrein van de Ruimtelijke Ordening heeft zij een trekkersrol. Dat de aansturing van de gemeenten van groot belang is blijkt uit de onlangs gemaakte inventarisatie van de collegeprogramma’s. Een van de belangrijkste conclusies daaruit is dat de optelsom van de gemeentelijke ambities op het terrein van de woningbouw achterblijft bij de door de Provincie Noord-Holland geformuleerde ambities. Gemeenten zijn (nog) niet gewend om over de gemeentegrenzen heen te kijken. Om daar verandering in te brengen kan en moet de provincie een rol spelen.

Belangrijke punten Bouwend Nederland

U ziet, de provincie heeft meer invloed op het dagelijks leven dan menig burger beseft. Daarom wil Bouwend Nederland een aantal onderwerpen onder de aandacht van de politieke partijen brengen, met het verzoek deze in de verkiezingsprogramma’s van de Staten op te nemen.

Ik noem hier een aantal punten:

  • Bouwend Nederland ziet voor de provincie een rol weggelegd bij het actief aanjagen van de verduurzaming van de woningvoorraad
  • De provincie dient gemeenten te ondersteunen bij het aanbieden van voldoende woningen met de juiste diversiteit
  • Een goede en veilige infrastructuur is van groot belang. Zij moet leiden tot minder files en meer verkeersveiligheid
  • Bouw- en infrabedrijven zorgen voor veel regionale werkgelegenheid. Geef daarom het regionale bedrijfsleven een goede kans bij provinciale opdrachten
  • Bouwend Nederland pleit voor de oprichting van een Provinciaal Fonds Vervanging & Renovatie Kunstwerken, waardoor er voldoende financiële middelen vrij komen om in een reeks van jaren onderhoud te plegen.

Onze organisatie komt met voorstellen die in het belang zijn van een goed functionerende overheid en probeert daardoor haar steentje bij te dragen aan de leefbaarheid en bedrijvigheid in Noord-Holland. Wij zullen de komende maanden zien welke partijen onze adviezen ter harte hebben genomen. In de aanloop naar de verkiezingen organiseren wij debatten met lijsttrekkers. Hopelijk bereiken we dan ook de kiezers. Om hen en hun welzijn is het immers te doen. Zij zijn het die zorgen voor de legitimatie van de gekozen provinciale bestuurders.

Jan Overtoom – Bouwend Nederland

energie zuinig huis

[gastcolumn] ESCo Projectfinanciering

Een Energy Service Company (ESCo) kan als ultiem revolving fund dienen voor de realisatie van duurzame energie in de gebouwde omgeving. Waarom komt het ESCo concept zo moeilijk van de grond? Lees meer in onderstaande column:

De Energy Service Company (ESCo) kan als ultiem revolving fund dienen voor de realisatie van duurzame energie in de gebouwde omgeving, maar waarom komt het zo moeilijk van de grond? Ik wil u hierbij inzicht geven in enkele van onze bedgeheimen om succesvol te worden met een fonds.

Lees meer

Maxime Verhagen

[COLUMN] Bouwen voor Nederland is bouwen aan de toekomst

Column – Alle rapporten en prognoses wijzen erop: Nederland heeft behoefte aan meer goede woningen, aan zorggebouwen die voldoen aan de eisen van déze tijd, net als behoefte aan veel betere schoolgebouwen. We hebben ook behoefte aan goede inpassing van bebouwing en groen. Ook willen we samen betere bereikbaarheid, waterveiligheid en een duurzame omgeving. Wie daarin niet investeert, is nooit klaar voor de toekomst.

Lees meer