Berichten

Batterij opladen tijdens de vakantie en toch nadenken.

Vakantie! Fijn wat achterstallig leeswerk wegwerken

Vakantie; wat een fantastische week hebben wij gehad. Het is altijd een gokje als je op vakantie gaat maar we mochten niet klagen wat het weer betreft, misschien was het zelfs wel een beetje te warm (het is ook nooit goed hé). Dit is ook meteen dé kans om achterstallig leeswerk bij te werken. In de loop van het jaar spaar ik technische vakbladen en boeken netjes op tot dat er tijd is om er eens rustig voor te zitten. Een vakantie of lang weekend is dan natuurlijk het ultieme moment om dat op te pakken. #vakliteratuur

 

Wat mij ook deze keer weer opviel waren de vele hippe woorden zoals ketensamenwerkingNul Op de Meter woningen (NOM), duurzaam bouwen. BIM, Lean en niet te vergeten innovatie(!). Dat laatste is een woord wat mij de laatste tijd steeds meer lijkt te irriteren, niet omdat ik er tegen ben maar omdat het in mijn ogen niets bijzonders is. Stel je voor dat je een bedrijf hebt en niet innoveert… tja dan kun je wel inpakken. Het word gebracht als iets bijzonders en nieuws maar feitelijk is het innoveren (vernieuwing) van een bedrijf of product een noodzaak om veranderingen in de markt bij te kunnen houden. Eens in de zoveel tijd moet een bedrijf zijn portfolio opschonen en betere, andere of vernieuwde producten of diensten aanbieden. Je kunt niet blijven doen wat je deed, daarvoor is de markt tegenwoordig veel te veranderlijk. Waarschijnlijk ken je hem al maar toch nog even omdat het leuk is: “Als je doet wat je deed, dan krijg je wat je kreeg”. Met andere woorden, je bedrijf zal zich niet ontwikkelen als je nooit iets anders durft te doen. Met ‘dat hebben wij altijd zo gedaan’ kom je tegenwoordig niet ver meer. In het verleden was deze vernieuwingsboog erg lang maar gezien de technologische ontwikkelingen zal dit in een steeds sneller tempo elkaar opvolgen. Ik zie het ook terug bij mijn eigen bedrijf, wat begon als een bouwkundige ondersteuning voor diverse makelaars is tegenwoordig een alround bouwkundig adviesbureau (ontwerp, advies en begeleiding) geworden en dat zal in loop der jaren waarschijnlijk nog wel een aantal keren worden aangepast. Dat hoort er tegenwoordig nou eenmaal bij.

 

Nog een onderwerp waar mijn oog op bleef hangen was waar robots tegenwoordig allemaal toe in staat zijn. Als je tien jaar geleden aan iemand had verteld dat je huishoudelijke hulp (een robot) het eten klaar heeft als je thuis komt van je werk dan hadden ze je waarschijnlijk naar hulp laten zoeken. Tegenwoordig is dat met wat trucjes realiteit geworden. Over tien jaar hebben we waarschijnlijk allemaal een gerobotiseerde huishoudelijke hulp. Klinkt gek hé maar hoeveel mensen hebben tegenwoordig een stofzuiger of grasmaaier die volautomatisch werkt? Dat is ook een robot dus een volgende stap is zo gemaakt, gewoon een kwestie van tijd.

 

Er zijn ook altijd wat artikelen over eten te vinden tussen het technische gedeelte. Omdat ik bewust kies wat ik eet (ja ik kijk altijd naar de ingrediënten op de verpakkingen voordat ik iets koop!) heeft dat onderwerp ook mijn interesse. Elke keer dat ik weer lees hoeveel schade het milieu oploopt door de wereldwijde vleesproductie word ik weer even in de realiteit terug gezet. Begrijp me niet verkeerd, ik ben geen vegetariër en eet graag een malse sappige biefstuk van de grill maar op zo’n moment realiseer je je toch dat het soms wat word overdreven. Neem bijvoorbeeld de kiloknallers of palletaanbiedingen, moet dat nou echt? Is goedkoop lekkerder? Zelf heb ik een hekel aan het woord aanbieding omdat ik niet in een dergelijk concept geloof want de prijs zegt vaak veel over het product. Tenslotte krijg je waar je voor betaald. Dit is ook de reden dat ik sinds een paar jaar meer ben na gaan denken over eten en het kopen van de boodschappen. Het vlees haal ik bijvoorbeeld bij de slager en de groente bij een groenteboer (bij een echter boer dus niet in de winkel). Ik zie je al denken “dat maakt toch helemaal niets uit?” Nou wel degelijk, het is soms duurder maar je proeft duidelijk verschil met de producten uit de supermarkt.

 

De vakantie is omgevlogen en al met al heb ik weer veel geleerd maar nu is het weer tijd om te gaan werken!

Door Boris GregecGeris Bouwtechniek – 0651743390

Heb je een vergunning nodig voor een verbouwing? Laat het ons regelen, wij weten de weg en doen het graag.

Techniek mismatch

Mismatch in de techniek – Campagnes

Op diverse fronten hebben betrokken partijen de handen ineen geslagen om de kloof tussen technische beroepsopleiding en praktijk verder te dichten. ­Daarbij gaat het niet alleen om de kwaliteit, maar zeker ook om de kwantiteit, zoals berekeningen van diverse branche-organisaties laten zien. Een van de kardinale vragen is dan ook: hoe interesseren we jonge mensen voor de techniek?

Het is begrijpelijk dat in deze kwestie met een verwachtingsvol oog naar de brancheorganisaties wordt gekeken. Dat zijn immers de overkoepelende organen die branchebrede initiatieven zouden kunnen ontplooien die in ieder geval een stap in de goede richting zouden geven.

‘Volgens het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) hebben de bouw- en infrasector de komende vijf jaar zo’n achtduizend man nieuw personeel per jaar nodig om aan de groeiende vraag uit de markt te voldoen. In het onderwijs daalt het aantal leerlingen op bouw- en infraopleidingen echter al jaren steevast, met name op het mbo. Om deze reden zijn instroom en opleiding stevige aandachtspunten voor Bouwend Nederland.’ (Bron: Bouwend Nederland)

Het meerjarenprogramma Instroom, waarvoor het Algemeen Bestuur van Bouwend Nederland op 30 november groen licht gaf, is een driejarig programma dat zich richt op een landelijke campagne met een duidelijk beeldmerk. De campagne laat zien hoe leuk en creatief het is om in de bouw- en infrasector te werken. De campagne wordt uitgevoerd in nauwe samenwerking met opleidingsbedrijven, scholen en bestaande regionale initiatieven.

Lees meer

mismatch onderwijs personeel techniek en bouw

Mismatch in de techniek – Initiatieven en verbanden

Er valt het nodige te verbeteren aan de koppeling tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven; daarover is vrijwel iedereen het eens. En het moet gezegd, er worden links en rechts bewonderenswaardige initiatieven ontplooid om die kloof te dichten. Jammer genoeg betreft het vaak individuele bedrijven of organisaties. Vanwege die beperktheid is er nog altijd geen zicht op een structurele oplossing van het probleem.

“We hebben de laatste jaren inderdaad weinig instroom gehad en we hebben ook niet veel aandacht aan opleidingen besteed”, erkent Willem-Jan Broekkamp, KAM- en opleidingscoördinator bij Bonarius Bedrijven. “Maar we moeten ook niet vergeten dat we zeven crisisjaren achter de rug hebben waarin er simpelweg geen geld was en ook geen behoefte aan nieuwe medewerkers. Sterker nog, veel goede vakkrachten hebben deze branche verlaten vanwege inkrimpingen en faillissementen. Nu schreeuwt iedereen moord en brand, maar we hadden natuurlijk kunnen voorzien dat zodra de markt weer ging aantrekken er nijpende tekorten aan geschoold personeel zouden ontstaan.”

Om kort te gaan, het bedrijfsleven moet geen afwachtende houding aannemen, maar anticiperen op te verwachten ontwikkelingen. Het is dan ook bijna onvoorstelbaar dat bedrijven dermate opportunistisch zijn in hun bedrijfsvoering.

Maar ook John Jansen, hoofd opleidingen bij Energie Service Noord West ESNW erkent dit probleem. “Wij hanteren het uitgangspunt dat je monteurs en andere technici niet krijgt, maar dat je ze moet vormen. Daarom hebben we dan ook al jarenlang een eigen opleidingscentrum, waar we mensen bekwamen in de specifieke vaardigheden die ons bedrijf nodig heeft.”

Ook bij Bonarius heeft men op dat vlak inmiddels spijkers met koppen geslagen. “Voor ons is de tijd van overleg gepasseerd en zijn we het pad van concrete actie ingeslagen”, stelt Broekkamp. “We zijn een intern bedrijfsscholingstraject gestart, wat volop in ontwikkeling is. Op dit moment volgen ongeveer vijftig medewerkers een BBL-vakopleiding op niveau 2/3. Dit alles gebeurt in nauwe samenwerking met bijvoorbeeld VTI, ROC’s en OTIB en Installatiewerk. We zijn in staat gebleken in zeer korte tijd een prima match te creëren voor gemotiveerde starters en zijinstromers in ons mooie vakgebied.”

Interesse aanwakkeren

­­Het is natuurlijk wel zo dat de instroom voor dit soort opleidingen bestaat uit mensen die al bewust voor een carrière in de techniek hebben gekozen. Als we de signalen mogen geloven, zijn er de komende jaren duizenden extra nieuwkomers nodig om aan de vraag naar geschoold personeel te kunnen voldoen. En het lijkt maar zeer de vraag of die er zullen komen naar aanleiding van dit soort initiatieven. De interesse voor technische beroepen moet dus verder worden aangewakkerd en daarvoor zullen andere inspanningen moeten worden verricht.

ESNW en Bonarius gaan daarom nog een paar stappen verder. Zo zet deze bedrijven zich manmoedig in voor een betere voorlichting voor de jeugd. Jansen geeft in dat verband al een aantal jaren trainingen in techniek voor het middelbaar onderwijs en geeft hij zelfs ‘techniekles’ op basisscholen. “Recent heb ik als gastdocent nog negentig kinderen van een basisschool in Julianadorp les gegeven”, legt hij nader uit. “En we hopen dat ze daardoor geïnspireerd raken om later voor een beroepsopleiding in een technisch vak te kiezen. We zien dat dus echt als een investering in de toekomst.” Broekkamp onderschrijft die visie: “Ook wij leveren volop onze bijdrage aan de bron dooe middel van samenwerking met VMBO-scholen en initiatieven in het basisonderwijs.”

Voorbeelden die navolging verdienen, want dergelijke inspanningen kunnen niet anders dan bijdragen aan een beter imago van de technische vakken. En dat imago is, zoals we al eerder hebben vastgesteld, een van de grote struikelblokken bij de beroepskeuze van nieuwe leerlingen. Technische beroepen zijn in veler ogen, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld ICT, bepaald niet ‘sexy’ genoeg.

“Dat is maar zeer de vraag”, meent Broekkamp. “Gezien alle aandacht voort verduurzaming en energietransitie zien we de laatste jaren een tendens waarbij technische vakken meer op hun merites worden beoordeeld. En daardoor komt er meer en meer erkenning voor het feit dat goed opgeleide installateurs en monteurs gewoon zeer gedegen vakmensen zijn met een aanzienlijke theoretische bagage. En daarbij passende arbeidsvoorwaarden. En laten we wel zijn: salaris en secundaire voorwaarden  vormen toch ook een belangrijke drijfveer voor mensen om dit vakgebied te kiezen.”

Samenwerkingsverbanden

Bonarius en ESNW blijken niet de enige bedrijven die niet bij de pakken neer is gaan zitten en zelf de handen uit de mouwen hebben gestoken. Op lokaal en regionaal niveau zijn er talloze samenwerkingsverbanden te vinden, waarbij in gezamenlijkheid wordt getracht de kloof tussen onderwijs en praktijk verder te dichten. En dergelijke initiatieven verdienen uiteraard alle lof.

Een van de meest in het oog springende van die samenwerkingsverbanden in wellicht OTIB, het Opleidings- en ontwikkelingsfonds voor het Technisch InstallatieBedrijf. Werknemers, werkgevers en onderwijsinstellingen hebben binnen OTIB de handen ineengeslagen. Daarbij is wijselijk gekozen voor een regionale structuur, de zogenoemde RBPI (regionaal Beleidsplatform Installatietechniek). En voor Noord-Holland gelden in dat verband drie speerpunten: Arbeidsmarkt, Onderwijs, Loopbaan. Of, vrij vertaald: Kwantiteit, Geschiktheid, Kwaliteit.

Die aanpak begint vruchten af te werpen, zo wordt ons van diverse kanten verzekerd. En dat is niet alleen begrijpelijk, maar ook noodzakelijk. Want de technische branches staan voor uitdagende jaren. Zoals Broekkamp al aanhaalde, is de urgentie van verduurzaming en energietransitie groter dan ooit en om die twee zaken in de nabije toekomst te realiseren zijn nu eenmaal veel, en goed opgeleide, technici noodzakelijk.

Eén van de zorgpunten daarbij werd reeds in het artikel ‘Mismatch in de techniek’ door Ronald van Laar van Ateco naar voren gehaald: “Bevlogen leerkrachten die hun leerlingen enthousiast weten te maken voor het vak zijn met een lampje te zoeken. Ik krijg soms leerlingen op snuffelstages en als ik dan met hen een kas binnenloop, staan ze met de ogen te knipperen wat het installatiewerk allemaal inhoudt. Die hebben werkelijk geen idee wat er allemaal gebeurt binnen ons vakgebied.”

Kortom, de kwaliteit van de docenten is voor vele betrokkenen een groot punt van aandacht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verschillende samenwerkingsverbanden hieraan veel aandacht besteden. En dat geldt tevens voor de kwaliteit van het praktijkonderwijs. Niet alle inspanningen die op dit vlak worden verricht, zijn voor iedereen zichtbaar, maar de problematiek is onderkend en de handen zijn uit de mouwen.

Imago

Is daarmee de kou van de lucht? Daarover zijn de meningen verdeeld. Natuurlijk, bedrijfsleven en onderwijs beijveren zich om de kloof tussen opleiding en praktijk te dichten, de vooruitzichten inzake werkgelegenheid en salariëring in het technisch vakgebied zijn goed en de toekomst biedt reden voor optimisme. Maar we moeten onze ogen niet sluiten voor het feit dat het technische beroep te maken heeft met een matig imago en zoals we weten ijlen imago’s vaak lang na. Om het in marketingtermen te zeggen: het imago van dit vakgebied moet worden afgestoft.

Er moeten dus wegen worden gevonden om jongeren adequaat te bereiken en intensief de positieve kansen en mogelijkheden te schetsen. Want het imago is anders dan de realiteit en zoals elke beginnende marketeer ons kan vertellen: ‘perceptie is de enige werkelijkheid’. En de branche zou die perceptie dan ook zeer serieus moeten nemen. De eerste stappen zijn gezet: er wordt in breed verband gewerkt aan verbeteringen en dat werpt vruchten af. Nu moeten we ook nog een weg vinden om die verbeteringen aan de relevante doelgroepen te communiceren. Anders blijft het succes van de samenwerkingsverbanden beperkt. En laten we wel zijn: technische beroepen verdienen een topimago.

Onderwijs en educatie zijn van het grootste belang voor ondernemers. Zij vormen het fundament voor de continuïteit van een bedrijf of branche.

 

In mei organiseert Onsnoordholland een Ronde tafel bijeenkomst over dit onderwerp. Wilt u daar bij zijn? Of wilt u meer informatie. Neem dan contact op met Marco Velt, email sales@onsnh.nl.

Energie Techniek Tekening Installatie

Waar blijven de vaklieden?

Al jaren klaagt het bedrijfsleven over de beperkte vaardigheden van instromend personeel. De toenmalige voorzitter van een grote brancheorganisatie vatte het twee decennia geleden ooit kernachtig samen: “ze kunnen wel een overhemd strijken, maar nog geen spijker in de muur slaan”.

Nu zal dat laatste waarschijnlijk ook toen nogal zwaar zijn aangezet, maar de kern van de boodschap blijft daardoor wel hangen: er is te weinig aansluiting tussen hetgeen wat in het beroepsonderwijs wordt aangeleerd en hetgeen het bedrijfsleven nodig heeft. Een recent verschenen rapport over het beroepsonderwijs heeft niet voor niets de schrijnende titel Over ‘hamers’ en ‘vasthouden’. Is er dan helemaal niets veranderd?

Vele jaren en evenzovele toetsing- en adviescommissies en bijbehorende rapporten en aanbevelingen later, kunnen we dan ook stellen dat die kloof nog altijd niet is gedicht. Onderwijsdeskundigen hebben zich over deze kwestie gebogen, adviescommissies zijn gevormd en ontbonden en overlegstructuren tussen opleidingsinstituten en vertegenwoordigers van de betreffende bedrijven hebben urenlange vergaderingen belegd. En al die inspanningen hebben weliswaar vruchten afgeworpen, maar ze hebben tegelijkertijd niet tot het zo fel begeerde resultaat geleid. Komt de verantwoordelijkheid en daarmee ook de financiële druk meer en meer op het bedrijfsleven te liggen?

Hoe kan dat? Zijn opleidingsinstituten simpelweg niet in staat mensen op te leiden voor de dagelijkse praktijk? Of stelt het bedrijfsleven onmogelijke eisen? Of speelt er meer dan het blijkbaar geconstateerde gebrek aan kwaliteit. Feit is wel dat bijvoorbeeld brancheorganisatie Uneto-VNI al tijdenlang de alarmbel luidt over het te voorziene tekort aan adequate technici in de installatiebranche. Voorzitter Doekle Terpstra heeft in dat kader al een dwingende oproep aan de betrokken sectoren onderwijs, overheid en bedrijfsleven gedaan om te voorkomen dat er in de komende jaren een fnuikend tekort aan specialisten ontstaat. Volgens hem gaat het op HBO-niveau beter dan vroeger, op MBO-niveau wat minder en baart de situatie van het VMBO zorgen. “We hebben goed opgeleid, jong personeel nodig om de uitdagingen van onze sector te borgen”, aldus Terpstra. Hoe gaan dit nijpende probleem op korte termijn aanpakken?

Wie googelt op beroepsonderwijs en bedrijfsleven, krijgt een duizelingwekkende reeks van stichtingen, overlegorganen en overheidsbemoeienissen in beeld. Met zo’n wirwar aan adviezen, aanbevelingen en reguleringen kan het ook bijna niet goed gaan, ben je dan geneigd te denken. Is het beroepsonderwijs kapotgepolderd?

Toch zal de oplossing voor het geschilderde probleem uit een diepgravende samenwerking tussen opleiders, overheid en bedrijfsleven moeten voortkomen. Maar misschien dat we daartoe de regie moeten teruggeven aan betrokken partijen op regionaal of zelfs lokaal niveau. Landelijke – of nog erger: Europese – regeldwang heeft bewezen onvoldoende vrucht afgeworpen. Natuurlijk, er dient een nationaal raamwerk te zijn waaraan het beroepsonderwijs dient te voldoen. Daarbinnen zouden echter kleinschaliger initiatieven de ruimte moeten krijgen om zich te kunnen bewijzen.

Het beroepsonderwijs wordt op die manier weer gedeeltelijk teruggegeven aan de relevante branches, aan praktijkmensen die weten waar de uitdagingen van morgen en overmorgen liggen. En die in onderling overleg kunnen bepalen aan welke maatstaven de diverse schakeringen van het onderwijs moeten voldoen en welke participerende rollen de bedrijven zelf moeten gaan vervullen.

Kortom, een beetje zoals het ooit was?

 

Onderwijs en educatie zijn van het grootste belang voor ondernemers. Zij vormen het fundament voor de continuïteit van een bedrijf of branche. Vandaar dat we zeer benieuwd zijn naar uw ervaringen op dit vlak. Reacties zijn dan ook van harte welkom. Vanzelfsprekend zullen we frequent aandacht besteden aan dit onderwerp en uw inbreng vormt een waardevolle aanvulling bij het opbouwen van dit dossier. Binnenkort zullen we in ieder geval een Ronde tafel bijeenkomst over de aansluiting tussen (beroeps)onderwijs en bedrijfspraktijk organiseren. Uiteraard zal de redactie van Onsnoordholland u voortdurend op de hoogte houden, dus wordt vervolgd.

 

Dick Zoet

 

verkiezingen

Verkiezingstijd

Wanneer we de diverse politieke partijen mogen geloven, gaan we gouden tijden tegemoet. We worden getrakteerd op koopkrachtplaatjes waar we op voorhand jeuk in de portemonnee van krijgen? Werkloosheidsvoorspellingen die we op dit moment niet voor mogelijk houden? En investeringen in de vaderlandse economie die het bedrijfsleven een nooit eerder beleefde boost gaan geven?

En zoals gebruikelijk, weten we waarschijnlijk in de derde week van maart dat er van al die prachtige oneliners bedroevend weinig terecht gaat komen. Het nietszeggende populisme heeft de politieke overhand gekregen en daar kopen we als ondernemers helemaal niets voor. Waar de Nederlandse bedrijven al decennia om roepen, is een duidelijke visie van de politiek. Wat gaan we besluiten op cruciale terreinen als duurzaamheid, educatie, infrastructuur en som er zo nog maar een paar op? De onduidelijkheid regeert. En niet alleen in Nederland. Politici lijken meer en meer bedreven in het uitoefenen van het zogenoemde ‘piep’-management. Dat komt er op neer dat men pas in actie komt wanneer ergens iemand piept. U kent het gezegde van de put en het verdronken kalf wel.

Kortom, van de politiek moeten we het niet hebben wanneer het gaat om het ontwikkelen van visies en strategieën. Daarvoor zullen we toch echt zelf aan de bak moeten. En daar is feitelijk niets mis mee. Ondernemers horen zich ook niet te verschuilen achter de besluiteloosheid van de overheid. Sterker nog, het behoort tot de kerntaken van ondernemers te anticiperen op mogelijke ontwikkelingen. Om vijf of tien jaar vooruit te kijken en scenario’s op te stellen om die ontwikkelingen het hoofd te bieden en kansen te creëren.

Veel ondernemers leven echter teveel in het heden en kijken nauwelijks verder dan overmorgen. Natuurlijk, iedereen heeft het druk en de achter ons liggende periode was bepaald niet makkelijk. Maar we moeten ons wel realiseren dat in die fixatie op ‘vandaag’ een behoorlijk gevaar schuilt. Want dat betekent dat je als ondernemers slechts kunt reageren, niet anticiperen.

Ondernemen is feitelijk niet veel meer dan het gezonde verstand gebruiken. En dat vertaalt zich weer in nadenken over de al dan niet nabije toekomst. Rethink your future, om ook maar eens slogan te gebruiken. Neem daarvoor de tijd. 15 Maart schijnt daarvoor een prachtige datum te zijn.

 

Dick Zoet

DNA-Groen-Duurzaam (Small)

Maakt jouw DNA een transitie door naar verduurzaming?

We hebben allemaal onze passies in werk en privé, waaronder sport. Een passie die gedreven wordt door ons innerlijke, ons ‘DNA’. Zelf signaleer ik een verandering in mijn DNA, een verandering richting duurzaam genieten. Heb je wel eens nagedacht over jouw verandering in DNA in relatie tot jouw passie voor sport of hobby? Ik deel mijn verandering met jullie.

Terug in de tijd

Even terug in de tijd… jaren 90, net afgestudeerd en volop het werkende leven in, was een van onze hobby’s het rijden met 4 wiel aangedreven auto’s. Zelf reed ik beroepsmatig dagelijks in een 4×4, in het weekend verruilden wij de verharde wegen voor trial parcoursen, bossen, bergen, duingebied. In binnen- en buitenland. Recreatief en af met toe een trial wedstrijdje. Keurig op de daarvoor bestemde paden, keurig betalend voor toegang. Met de openstelling van gebieden voor 4×4 auto’s tegen een vergoeding, kregen organisaties geld voor onderhoud van deze gebieden.

Duurzaam genieten

De ommekeer kwam gelijk met de komst van de nieuwe generatie. Wilde haren werden (tijdelijk?) getemd. Terreinrijden werd wandelen en fietsen. Immers, met een klein kind ga je niet met de 4×4 de verharde wegen af… niet uit veiligheid en wij hadden inmiddels een meer duurzame vorm van genieten van de natuur gevonden. Duurzaamheid zit in onze genen, is ook de drijfveer achter onze onderneming. Bewust van de kwetsbaarheid van moeder natuur hebben wij de 4×4 hobby nooit meer opgepakt.
Inmiddels genieten wij op de mountainbike van de natuur in bos, duin, strand, etc. In binnen en buitenland, mét onze next generation. Duurzaam genieten, met respect voor de natuur, genietend van de seizoenen, van collega mtb-ers.
Deze verandering in ons gedrag werd mij helder toen ik onlangs een uitnodiging van een relatie ontving. Een uitnodiging om met andere technische partijen te gaan genieten van het Noord-Hollandse duingebied en de techniek van het mountainbiken.

Mtb clinic

Na een heerlijke clinic genieten we van de koffie. Ik spreek mijn relatie aan en vraag naar de beweegredenen om een mtb clinic te organiseren voor relaties. Het antwoord is eenvoudig. Ook in zijn organisatie heeft een DNA verandering plaatsgevonden. Sponsorde deze partij in het verleden nog de autosport, tegenwoordig sponsort zij de fietssport. Een verandering ingegeven door verandering in hun productassortiment. Pompen werden duurzame pompen, uitjes veranderden mee naar deze duurzame inslag. Auto’s werden fietsen, de mtb clinic maakt deel uit van deze verandering.

Veranderend DNA in energie inzet?

Bovenstaande nalezend en overpeinzend vraag ik mij af of jouw organisatie al een DNA verandering heeft doorgemaakt, van product naar duurzaam product, van dienst naar duurzame dienst?

Waar staat jouw bedrijf in de ‘DNA’ transitie betreffende energieverbruiken en energie inkoop? Heb je het verbruik en mogelijkheden al inzichtelijk? Is het verbruik en inkoop al in transitie van ‘niet belangrijk onderdeel’ naar duurzame inzet? Van fossiel naar zon, wind en water energie. Van externe inkoop naar lokaal duurzaam opgewekt en lokaal verbruik?

Ik help graag het verbruik, de mogelijkheden voor verduurzaming in kaart te brengen, denk graag met je mee, help je om jouw DNA te veranderen.

José Braakman
contract

Non-concurrentiebeding in franchiseovereenkomsten

Zijn er mogelijkheden om de geldigheid hiervan aan te tasten?

Zoals bekend kan een werknemer regelmatig de houdbaarheid van een bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst  overeengekomen non-concurrentiebeding aantasten. Maar hoe zit het met de franchisenemer die met een (grote) franchisegever een franchiseovereenkomst heeft gesloten? Kan de franchisenemer bij de beëindiging van deze franchiseovereenkomst ook onder omstandigheden onder het eerder gesloten non-concurrentiebeding uit?

Franchisenemers ontvangen bij het toetreden tot een franchiseformule vaak vertrouwelijke informatie van de franchisegever. Ook komt het vaak voor dat de franchisegever een franchisenemer in contact brengt met allerlei relaties. Iedereen voelt aan z’n water aan dat het natuurlijk niet de bedoeling is dat een franchisenemer de franchisegever enkel als ‘opleidingsinstituut’ gebruikt en de franchisenemer aldus na een (relatief) korte periode vrijwillig afscheid neemt van de franchiseformule om vervolgens concurrerende activiteiten te ontplooien met gebruikmaking van de eerder verkregen kennis, netwerk en knowhow. Om te voorkomen dat de door de franchisegever aan een franchisenemer overgedragen kennis en knowhow na het einde van de franchiseovereenkomst voor zogeheten oneigenlijke concurrentie wordt gebruikt, zal de franchisegever (onder andere) een zogeheten postcontractueel non-concurrentiebeding willen afspreken.

De franchisegever moet aldus in staat moet worden gesteld om zijn kennis en knowhow over te dragen aan een franchisenemer en daarbij preventieve maatregelen te nemen zonder het risico te hoeven lopen dat deze informatie ten goede komt aan concurrenten.

Maakt dat het door partijen overeengekomen postcontractueel non-concurrentiebeding onaantastbaar? Nee, maar het terzijde leggen van een dergelijk beding kan (logischerwijs) niet zonder meer.

Hieronder bespreek ik een aantal argumenten op basis waarvan bij of na de beëindiging van de franchiseovereenkomst de franchisenemer succesvol zou kunnen ageren tegen het postcontractueel gesloten non-concurrentiebeding.

Strijd met mededinging

Een non-concurrentiebeding is in beginsel strijdig met de mededinging; het beding belemmert immers dat een ondernemer zijn eigen beleid kan bepalen. Omdat echter de franchisegever in staat moet zijn om vertrouwelijke informatie aan een franchisenemer te verstrekken zonder het risico te lopen dat deze informatie ten goede komt aan concurrenten, is een non-concurrentiebeding in beginsel toelaatbaar.

Een postcontractueel non-concurrentiebeding kan echter in strijd zijn met het kartelverbod opgenomen in de Mededingingswet. Is er echter sprake van een ‘kleine’ franchiseformule, met een beperkte omvang en minimale jaaromzet, dan kan de ‘kleine’ franchisegever waarschijnlijk een beroep kunnen doen op de zogenoemde ‘bagatelvoorziening’ en is een beroep op de Mededingingswet om het non-concurrentiebeding van tafel te krijgen kansloos. Meer informatie hierover kan worden ingewonnen bij de advocaten van Scherp Advocaten.

Redelijkheid en billijkheid: onaanvaardbare gevolgen

Een contractuele bepaling tussen partijen is niet van toepassing als deze bepaling (gelet op de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) onaanvaardbare gevolgen heeft. De franchisenemer zal derhalve dienen te stellen en – bij betwisting door de franchisegever – te bewijzen dat het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als hij / zij aan het desbetreffende non-concurrentiebeding wordt gehouden.

Of een non-concurrentiebeding in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar wordt geacht door een rechter, is een beoordeling waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Denk daarbij aan de looptijd van de franchiseovereenkomst, de duur en omvang van het non-concurrentiebeding, de activiteiten die een franchisenemer feitelijk gedurende de franchise heeft uitgevoerd, alsmede de persoon van de franchisenemer zelf. De gevolgen van nakoming van het non-concurrentiebeding spelen ook een rol, zoals het verstoken blijven van inkomsten, alsmede het ontbreken van mogelijke alternatieven om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Het feit dat een voormalige franchisenemer gedurende een bepaalde periode verstoken blijft van inkomsten betekent niet automatisch dat het non-concurrentiebeding onaanvaardbaar zou zijn, temeer als de desbetreffende franchisenemer het non-concurrentiebeding eerder willens en wetens heeft aanvaard.

Voor deze beoordeling zijn ook de wijze en het moment waarop de franchiseovereenkomst is komen te eindigen van belang, alsmede het verwijt dat (een van de) partijen daarvoor mogelijkerwijs te maken valt.

Een franchisenemer die uit eigen beweging de franchiseovereenkomst beëindigt, zal minder snel bescherming genieten dan een franchisenemer die noodgedwongen en voortijdig de samenwerking heeft moeten staken. Daarentegen kan een franchisenemer onder omstandigheden niet gehouden worden het postcontractuele non-concurrentiebeding na te komen indien franchisegever beëindiging van de overeenkomst te wijten heeft aan ‘haar eigen opstelling en gedrag’. Het gerechtshof Den Bosch heeft in dat kader bepaald dat indien het laakbaar geachte gedrag van de franchisegever bestaat uit het voorafgaand aan het tekenen van de franchiseovereenkomst, verstrekken van een ondeugdelijke exploitatieprognose aan de (kandidaat-)franchisenemer, dat dan de nakoming van het non-concurrentiebeding (in dat specifieke geval) niet kan worden gevorderd.

Ander laakbaar gedrag is uiteraard ook zonder meer denkbaar, zoals bijvoorbeeld een schending van de zorgplicht van de franchisegever aangaande voortdurende ondersteuning en bijstand. Dit dient echter wel zorgvuldig door de franchisenemer worden onderbouwd hetgeen niet beschouwd dient te worden als een sinecure.

Voor zover de door een franchisenemer gestelde onaanvaardbaarheid voortvloeit uit een omstandigheid die voor rekening en risico dient te komen van een franchisenemer zelf, dan zal de rechter dat onder het kopje ‘ondernemersrisico’ scharen. Het kan de franchisegever dan niet worden tegengeworpen. De omstandigheid, bijvoorbeeld, dat de (ex-)franchisenemer mogelijk een faillissement riskeert door het non-concurrentiebeding na te moeten komen, dient in beginsel voor rekening en risico te blijven van de (ex-franchisenemer. Die lijn is onlangs door rechters van de rechtbanken te Amsterdam, Den Haag en Midden-Nederland in drie verschillende kwesties bevestigd.

De rechtbank Den Haag oordeelde echter wel dat dat het de (ex-)franchisenemer enkel verboden was om concurrerende activiteiten te ontplooien vanaf het moment dat de franchisegever in het contractsgebied daadwerkelijk weer een onderneming (in dat specifieke geval een boekwinkel) zou gaan (laten) exploiteren. Tot dat moment mocht de (ex-)franchisenemer dus, in strijd met het non-concurrentiebeding, concurrerende activiteiten ontplooien. Zeer recent heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland ook een non-concurrentieverbod buiten toepassing verklaard omdat de franchisegever slechts een gering belang had bij handhaving van het beding. In het contractsgebied zou nadat de franchiseovereenkomst uiteindelijk was beëindigd, zich geen andere franchisenemer gaan vestigen. Er zou aldus geen concurrentie plaatsvinden.

De rechter zal bij de beoordeling of dit argument kan slagen echter de nodige terughoudendheid moeten betrachten: er moet aan zware eisen worden voldaan voordat een contractueel overeengekomen beding onaanvaardbaar wordt geacht.

Onredelijk bezwarend beding

Naast voornoemde route kan eveneens als argument worden ingebracht dat het beding gekwalificeerd dient te worden als een algemene voorwaarde en dat deze onredelijk bezwarend is. Dit argument wordt vooral in de literatuur naar voren gebracht.

Voor de beoordeling of een non-concurrentiebeding onredelijk bezwarend is, zijn onder meer van belang de aard en overige inhoud van de franchiseovereenkomst, de wijze waarop het non-concurrentiebeding tot stand is gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen, de deskundigheid en rechtskennis van partijen, de onderlinge verhouding van partijen, de (deskundige) begeleiding van partijen, de maatschappelijke positie van partijen en de overige omstandigheden van het geval. Net als in voornoemde route is er derhalve sprake van een casuïstische beoordeling van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval.

Het is aan de franchisenemer om te onderbouwen waarom het non-concurrentiebeding in zijn/haar optiek onredelijk bezwarend is. Zo kan nagenoeg altijd worden opgemerkt dat de franchisenemer geen

invloed kan uitoefenen op de inhoud van de franchiseovereenkomst, dus ook niet op het non-concurrentiebeding. Het kan daarbij van belang zijn of een franchisenemer ten tijde van het tekenen van de franchiseovereenkomst is bijgestaan door een advocaat/jurist. Wat betreft de belangenafweging zal het doorgaans gaan om een afweging tussen de belangen van een franchisenemer om in zijn levensonderhoud te kunnen (blijven) voorzien en de belangen van de franchisegever om geen oneigenlijke concurrentie te hoeven dulden. Wordt door een rechter geconcludeerd dat een non-concurrentiebeding onredelijk bezwarend is, dan kan een franchisenemer het beding vernietigen. De franchisegever kan er dan geen beroep (meer) op doen.

Indien het non-concurrentiebeding echter niet in alle/het merendeel van de door de franchisegever gesloten franchiseovereenkomsten zijn opgenomen (of in gewijzigde vormen) dan kan de franchisegever eenvoudig aantonen dat er geen sprake is van een algemene voorwaarde en zal dit argument niet kunnen slagen.

Last but not least: onduidelijkheid beding

Indien toch vastgesteld wordt dat het non-concurrentiebeding niet op voorgaande gronden kan worden aangetast en deze aldus (geheel/gedeeltelijk) blijft bestaan, kan tenslotte op de inhoud van het beding vaak nog wel wat worden aangemerkt.

Non-concurrentiebedingen blinken vaak niet uit in duidelijkheid en leesbaarheid. Daardoor kan tussen partijen discussie ontstaan over de uitleg van het non-concurrentiebeding. Voor de wijze waarop een beding in een overeenkomst moet worden uitgelegd zijn van belang alle omstandigheden van het concrete geval. Daarbij moet niet alleen gelet worden op de letterlijke tekst van het non-concurrentiebeding, maar komt het ook aan op de zin die partijen over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De franchisenemer heeft een klein strategisch voordeel ten opzichte van de franchisegever. De rechter zal een non-concurrentiebeding gezien de aard van het beding immers restrictief moeten uitleggen: dat houdt in dat een onduidelijk non-concurrentiebeding in beginsel ten nadele van de opsteller van het beding (lees: de franchisegever) moet worden uitgelegd.

Het is aan de franchisegever om te bewijzen dat zij de bepaling anders bedoelden dan de uitleg die de franchisenemer eraan geeft en dat de franchisenemer bij ondertekening van de overeenkomst bekend was met deze uitleg. Dat kan een lastige opgave worden voor de franchisegever en reden te meer is bij het opstellen van dergelijke bedingen zo belangrijk om niet zomaar een bepaling te ‘knippen’ en ‘plakken’ uit een model/overeenkomst van een concurrent.

 

Meer vragen over franchiseovereenkomsten? Ik ben net als mijn kantoorgenote Rosie de Weerd gespecialiseerd in contractenrecht en krijg veelvuldig te maken met (o.a.) franchiseovereenkomsten. Wij staan zowel franchisegevers al franchisenemers bij. Zowel voor advies voorafgaand bij het aangaan van franchiseovereenkomsten, (proces)advies indien de eerste barsten in de samenwerking zijn ontstaan, als bijstand indien er reeds een geschil is gerezen, wij kunnen u bijstaan.

 

ei columbus

Transformatie tot duurzaam vastgoed; het ei van Columbus?

Column Jan Overtoom |  Vastgoed duurzaam transformeren

Iedereen is het over één ding eens: de komende jaren moet er fors gebouwd worden in onze provincie. Het aantal huishoudens stijgt aanzienlijk en volgens de Provincie Noord-Holland moeten er minimaal 240.000 woningen tot 2040 worden gerealiseerd. Uit onderzoek blijkt dat deze doelstelling nog te conservatief is. Sommigen hanteren nu al het streefgetal van 320.000 woningen. Zoals gezegd, het aantal huishoudens stijgt en dat heeft een paar oorzaken: de groei van de bevolking en het feit dat ouderen steeds langer thuis blijven wonen. Dan heb ik het nog niet eens gehad over de huidige instroom van migranten en vluchtelingen, die ook gehuisvest moeten worden. Het is echter de gezinsverdunning (minder personen in één huishouding) die vooral om méér woonruimte vraagt. De  prangende vraag die gemeenten en provincie bezig houdt is waar die te bouwen woningen gerealiseerd moeten worden. Deze vraag heeft al geleid tot felle discussies tussen degenen die vinden dat alles binnenstedelijk (en dan ook nog met name in Noord-Holland-Zuid) moet worden gebouwd en voorstanders van uitleglocaties of de ‘groene weilanden’. Helaas is het een soort richtingenstrijd geworden, waarbij beide partijen met aantallen, cijfers en analyses goochelen om hun gelijk kracht bij te zetten. Helaas is het zelden de nuance die als overwinnaar uit de strijd tevoorschijn komt.

Lees meer

amsterdam

Wonen in Amsterdam straks onbetaalbaar, waar gaan we dan wonen?

Denkt u wel eens terug aan de nieuwsberichten van een paar jaar geleden? Ons vertrouwen in de woningmarkt was tot een nulpunt gedaald: dalende prijzen, executoriale verkopen, huizen die onder water stonden. De huizenmarkt was als een plumpudding in elkaar gezakt. Veel kopers bleken zich vertild te hebben aan een te dure woning met een te hoge hypotheek. Als je dan ook nog eens werkloos wordt is Leiden definitief in last. Door de financiële en economische crisis verslechterde de situatie in de bouwsector, waardoor bedrijven failliet gingen of moesten reorganiseren. Gevolg: een groot aantal bouwvakkers ging gedwongen op zoek naar nieuw emplooi. Het consumentenvertrouwen daalde tot een historisch dieptepunt. Makelaars zaten duimen te draaien in hun fraaie kantoren.

Velen waren ervan overtuigd dat de huizenbouw definitief tot stilstand was gekomen. In de media, op straat en in de kroeg waren geluiden te horen als: “Kijk eens naar de leegstand. Er zijn genoeg woningen! Woningnood bestaat niet! Iedereen heeft een dak boven zijn hoofd!”. Menig bestuurder was dezelfde mening toegedaan. Maar, zoals u weet, zijn er behalve meningen ook nog  feiten. En ook zijn er wetenschappelijke instellingen die feiten beoordelen en verkenningen doen. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) bijvoorbeeld. Op basis van demografische ontwikkelingen heeft het EIB in een verkenning berekend dat, uitgaande van een evenwichtige groei van de economie, het aantal huishoudens in Nederland zal stijgen van 7,5 miljoen naar zo’n 8,5 miljoen in 2040. Die stijging is met name een gevolg van de toename van het aantal ouderen dat zelfstandig blijft wonen, het aantal eenpersoonshuishoudens en de groei van het aantal inwoners.

Deze verwachte stijging is niet gelijkelijk over Nederland verdeeld. Noord-Holland is na Flevoland en Utrecht de snelst groeiende provincie van Nederland. Op haar beurt vertoont de regio rond Amsterdam binnen de provincie weer de snelste groei. Maar ook de woningbehoefte in Noord-Holland-Noord mogen we niet onderschatten. De prognoses hiervoor lopen uiteen van 40.000 tot 100.000 woningen.

De uiteindelijke vraag zal volgens mij vooral bepaald worden door de huizenprijzen. Naarmate deze in de regio Amsterdam hoger komen te liggen, wordt men gedwongen op een grotere afstand te gaan wonen. Dat is geen typisch Nederlands verschijnsel. Zo zijn in de regio Parijs de prijzen van onroerend goed onbetaalbaar, zeker binnen de Boulevard Périphérique, waardoor er steeds meer forenzen zijn die een lange reistijd voor lief moeten nemen.

Afgelopen week konden we lezen dat vermogende Chinezen en Russen interesse tonen in Amsterdams vastgoed. Niet alleen in de hoofdstad zelf, maar ook in  de omliggende gemeenten. Los van de vraag of we daar blij mee moeten zijn (denk aan Londen dat inmiddels veel onbewoonde, verwaarloosde huizen kent die alleen maar als belegging zijn aangekocht), zullen de huizenprijzen in de regio Amsterdam de komende jaren fors stijgen. Daar komt nog bij dat in Amsterdam veel werkgelegenheid zal worden gecreëerd door de groei van de economie en de talrijke startup-bedrijven.

Voor de doorsnee werknemer met een gezin is er dan eigenlijk geen keuze meer: wonen in Amsterdam is niet meer te betalen, dus zal er een woonplek verderop gezocht moeten worden, bijvoorbeeld in Noord-Holland-Noord. Daar is betaalbaar en groen wonen nog wél mogelijk. De woningbehoefte in NHN zal dus sterk toenemen. De Noord-Hollandse woningmarkt is meer dan ooit gebaat bij visionaire bestuurders, die verder durven te kijken dan de dag van morgen. Laten we hopen dat onze huidige bestuurlijke elite uit het juiste hout gesneden is om de uitdagingen van de toekomst aan te pakken.

Jan Overtoom

Collegeprogramma Noord-Holland biedt kansen

Na de verkiezingen voor de Provinciale Staten op 18 maart jl. zagen we de gebruikelijke taferelen. De winnaars vierden hun feestje en de verliezers likten hun wonden. Dat de lokale resultaten ingegeven zijn door landelijke politiek, weten we allemaal, dat is nou eenmaal niet anders.

Verrassend positief was het initiatief dat de onderhandelaars van de partijen die een college willen vormen namen door vertegenwoordigers van stakeholders uit te nodigen voor een inventarisatie van wensen. Zo’n uitgestoken hand mag je als belangenorganisatie uiteraard niet negeren. Gewapend met een lijstje wensen reisden wij af naar een fraai etablissement in Heemstede. Daar werden wij gastvrij ontvangen door vier zittende gedeputeerden, die in hun rol als onderhandelaar in gesprek traden met een uiteenlopend gezelschap over een waaier aan onderwerpen. Ondergetekende mocht deelnemen aan gesprekken over Ruimtelijke Ordening en kon daarnaast Woningbouwen Infra-onderwerpen aankaarten.

Lees meer