Berichten

Wetsvoorstel versterking decentrale rekenkamers in consultatie

Fiscale regeling buitenlandse werknemers verkort naar 5 jaar

Het kabinet is van plan een fiscale regeling voor buitenlandse werknemers, de zogenaamde 30%-regeling, per 1 januari 2019 te verkorten van 8 naar 5 jaar.

Hiermee heeft de ministerraad op voorstel van staatssecretaris Snel van Financiën ingestemd. De verkorting gaat gelden voor zowel nieuwe als bestaande gevallen.

De regeling biedt werkgevers de mogelijkheid om een deel van het loon. Met een maximum van 30% belastingvrij te verstrekken aan buitenlandse werknemers die tijdelijk in Nederland werken. Dit is een vergoeding voor de extra kosten die de werknemers maken om in Nederland te werken. Het gaat bijvoorbeeld om reiskosten, kosten voor een woning en levensonderhoud.  De regeling, die verder ongewijzigd blijft, is bedoeld om werknemers aan te trekken die schaars zijn op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Met het verkorten van de looptijd van de regeling volgt het kabinet een aanbeveling uit de evaluatie van de 30%-regeling op, dat in 2017 is uitgevoerd door onderzoeksbureau Dialogic. Hieruit bleek dat circa 80% van de werknemers de regeling niet langer gebruikt dan vijf jaar. Van de circa 20% die de regeling wel tot acht jaar gebruikt vestigt een substantieel deel zich niet tijdelijk, maar langdurig in Nederland. Daarnaast geldt in bijna alle andere landen waar de regeling bestaat ook een termijn van vijf jaar.

In plaats van de 30%-regeling bestaat er voor de werkgever ook de mogelijkheid om werkelijke kosten belastingvrij te vergoeden, als bijvoorbeeld niet aan de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling wordt voldaan. Hier zitten meer administratieve lasten aan. Ook hiervoor geldt dat deze mogelijkheid wordt beperkt tot vijf jaar.

Het kabinet is van plan het wetsvoorstel op Prinsjesdag, als onderdeel van het pakket Belastingplan in te dienen bij de Tweede Kamer.

personeel dossiers werk

Curus cao bouw en infra 22 mei 2018

Arbeidsvoorwaarden, we hebben er allemaal mee te maken. Als werknemer, maar ook voor jou als werkgever is het belangrijk te weten welke voorwaarden er gelden.

Heb jij in je werk regelmatig te maken met de cao en werk je in de bouw- of infrasector? Dan is deze cursus voor jou geschikt! In deze cursus leer je namelijk alles over werkingssfeer, minimumbepalingen en aanname van medewerkers. Ook onderwerpen als ontslag, pensioen en functiewaardering komen aan bod.

Als je deze cursus hebt gevolgd:

  • Ken je alle ins & outs over de cao voor bouw en infra
  • Heb je inzicht in loonkostenberekeningen
  • Weet je alles over bedrijfstak eigenregelingen

De cursus is interessant voor P&O-medewerkers, personeelsadministratie en leidinggevenden die in hun werk te maken hebben met de cao én/of voor mensen die hier graag meer over willen weten.

Zo ziet de cursus eruit

Deze dagcursus is interactief van opzet. Dit wil zeggen dat jij als deelnemer de mogelijkheid krijgt om je eigen casus/probleemstelling te delen met de groep. De onderwerpen die tijdens de cursus aan bod komen, geven je een goed beeld van de cao gericht op jouw sector.

Cursusinformatie voor  22 mei 2018

Locatie: Regio Amsterdam, tijd: 8.00 – 16.00 uur, kosten: voor leden van Bouwend Nederland € 349,00 (excl. btw), de kosten voor niet-leden bedragen  € 599,00 (excl. btw).

Via deze link kan je jezelf opgeven.

juridisch

[gastblog] Er schuilt een addertje onder het gras bij oproepcontract

Is er sprake van een arbeidsovereenkomst met een omvang van minder dan vijftien uur per week en werkt de werknemer op oproepbasis? Let op dat de werknemer die per oproep minder dan drie uur werkt, toch drie uur moet worden uitbetaald. Het Gerechtshof ’s Hertogenbosch heeft zich op 24 januari 2017 uitgelaten over een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (MUP-overeenkomst) en komt met een interessant oordeel.

Het Hof oordeelt als volgt: ‘De arbeidsovereenkomst (MUP-overeenkomst) die partijen met elkaar zijn aangegaan, is bijzonder in die zin dat de uit deze overeenkomst voortvloeiende prestaties eerst moeten worden verricht nadat de werkgever de werknemer heeft opgeroepen. De belangrijkste prestaties betreffen dan voor de werknemer het verrichten van arbeid en voor de werkgever het betalen van loon.’

Sinds 28 april 2012 werkte de werknemer tijdelijk op oproepbasis bij deze werkgever. Volgens de werkgever blijkt achteraf dat zij circa twintig uur per week werkte. Het dienstverband van de werknemer werd al van rechtswege beëindigd op 26 oktober 2013. Twee maanden na einde dienstverband ontving de werkgever het verzoek achterstallig loon uit te betalen. Werknemer verzocht eerst uitbetaling van een 40-urige werkweek. Hier ging het Hof niet in mee en oordeelde:

‘De vordering van werknemer, inhoudende dat zij ook aanspraak kan maken op loon gedurende de periode dat zij (thuis) wacht op een oproep van de werkgever, is dan ook in strijd met de aard van het onderhavige arbeidscontract, ook al is werknemer contractueel verplicht om aan de oproep van werkgever gehoor te geven.’

De werknemer was niet voor één gat te vangen en verzocht extra loon op basis van het feit dat de arbeidsomvang niet was vastgelegd in de arbeidsovereenkomst. Het Hof stelt vast:

‘dat de arbeidsomvang niet of niet eenduidig is vastgelegd en dat de werknemer in beginsel recht heeft op extra loon in de zin van artikel 7:628a BW.’

Het is voorgekomen dat de werknemer was opgeroepen te werken en dan minder dan drie uren werk uitvoerde, soms zelfs op eigen initiatief. De werknemer weigerde te komen werken of verzocht zelf eerder te mogen stoppen vanwege verplichtingen elders. In de uitspraak is te lezen dat de werkgever hierover klaagt. Het kan toch niet zo zijn dat de werkgever achteraf alsnog salaris moet betalen als de werknemer weigert uitvoering te geven aan de oproep?

Jawel, zo oordeelt het Hof. De werknemer heeft immers voor iedere werkperiode, ongeacht of deze ingepland was of niet, recht op minimaal drie uren loon, conform artikel 7:628a BW. Het Hof concludeert dat het gevorderde bedrag inclusief 8% vakantietoeslag toewijsbaar is. De werkgever moet aan de werknemer alsnog € 8.294,35 brutosalaris betalen plus vakantietoeslag plus nog eens de wettelijke verhoging, conform artikel 7:625 BW.

Als een werkgever het salaris niet tijdig betaalt, dan is hij op grond van de wet een verhoging verschuldigd die kan oplopen tot maar liefst 50% van de loonvordering. Het Hof oordeelt dat deze bepaling als prikkel dient het loon tijdig te betalen. In dit geval heeft de werkgever het loon altijd tijdig betaald, maar alleen bleek dit achteraf en pas na hoger beroep geen juist bedrag aan loon. Het Hof ziet dan ook aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. Gelukkig voor deze werkgever heeft het Hof de wettelijke verhoging gematigd van 50% naar 15%. Desondanks blijft het een flink bedrag dat de werkgever alsnog moet betalen aan de werknemer.

Meer weten over arbeidsovereenkomsten en in het bijzonder over contracten voor werknemers die op oproepbasis werken? Aarzel niet en neem vrijblijvend contact met mij op via www.juristepunt.nl.

 

Auteur: mr. S.B. Punt

Uitspraak van Gerechtshof ’s Hertogenbosch op 24 januari 2017 is te lezen op: http://bit.ly/2lnm4Yw

 

Recht-Justitie-incasso-geld Blog Marianne Zeeman - advocaat

Blog 2 – Betalingstermijnen, hoe zit het nu precies?

Vorige maand schreef ik in mijn blog Betalingstermijnen, hoe zit het nu precies? over de vele algemene voorwaarden die ik onder ogen heb gekregen de afgelopen periode waarin nog steeds onjuiste betalingstermijnen zijn opgenomen. Onlangs trof ik echter nog twee keer een set algemene voorwaarden aan waarin een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten werd gevorderd dan wettelijk is toegestaan.

Hoe zit het nu precies?

Buitengerechtelijke incassokosten zijn de kosten die iemand die een vordering op een ander heeft (de schuldeiser) maakt om een geldvordering te innen die de ander (de schuldenaar) niet uit zichzelf betaalt en die aan de schuldenaar worden doorberekend.

Er is wettelijk vastgelegd een maximum aan de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat door de schuldeiser van de schuldenaar gevorderd kan en mag worden.

Als de schuldenaar een consument is, heeft een schuldeiser recht op een vergoeding van incassokosten indien hij de schuldenaar op een juiste manier heeft aangemaand en betaling vervolgens is uitgebleven.

De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt berekend als percentage van het bedrag dat de schuldenaar aan de schuldeiser verschuldigd is. Hoe hoger de vordering, hoe lager het percentage. Er geldt een minimumbedrag van € 40,= en een maximumbedrag van € 6.775,=.

De incassokosten voor een bedrijf zijn niet hoger dan wettelijk is vastgelegd, tenzij bedrijven met elkaar hogere incassokosten afspreken.

Schuldeisers zijn nadien vrij zelf te bepalen op welke wijze zij een vordering (laten) incasseren en welke handelingen zij (binnen de grenzen van het redelijke en de wet- en regelgeving) daarvoor verrichten. Met betrekking tot vorderingen op (rechts)personen die handelen ter uitoefening van een beroep of een bedrijf, is overigens niet wettelijk voorgeschreven dat een aanmaning moet worden verstuurd. Wil je echter uiteindelijk voor de rechter succesvol een vonnis verkrijgen waardoor je eenvoudiger het gevorderde kan incasseren (doordat met een executoriale titel executoriaal beslag op goederen van een schuldenaar kan worden gelegd) valt sterk aan te bevelen om de schuldenaar na een goede ingebrekestelling nog een aantal maal aan te manen en zodoende in de gelegenheid te stellen om tot betaling van het verschuldigde over te gaan.

Verbintenissen tot vergoeding van schade vallen dus buiten deze regeling. Dit is alleen anders indien partijen het over de omvang van de schadevergoeding eens zijn en die in een overeenkomst hebben vastgelegd. In dergelijke gevallen kan uit de vaststellingsovereenkomst worden afgeleid wat de schuldenaar verschuldigd is en is bovenstaande eveneens daarop van toepassing.

 

Indien u vragen heeft over bovenstaande of als ondernemer wenst te checken of uw algemene voorwaarden overeenstemmen met de huidige wet- en regelgeving kunt u altijd contact met mij opnemen voor een eerste vrijblijvend gesprek.

Marianne Zeeman – Scherp Advocaten

Betalingstermijn geld betalen factuur

Blog 1- Betalingstermijnen, hoe zit het nu precies?

Nog steeds krijg ik algemene voorwaarden onder ogen waarin onjuiste betalingstermijnen zijn opgenomen.

Hoe zit het nu precies?

Vanaf 1 januari 2013 is wettelijk vastgelegd hoe lang de termijn mag zijn waarbinnen uiterlijk een factuur dient te worden betaald. Er is wettelijk geen wettelijke minimumbetalingstermijn vastgelegd. Voor overeenkomsten gesloten met consumenten geldt dat er niet afgeweken mag worden van maximale betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum. Afwijking van deze termijn is vrijwel niet mogelijk.

Voor bedrijven onderling (B2B) geldt dat als er onderling contractueel niets is geregeld, de betaling binnen 30 dagen na de factuurdatum moet worden verricht. In de overeenkomst (en dus de algemene voorwaarden) mag een langere betaaltermijn van maximaal 60 dagen worden afgesproken. Een betalingstermijn van langer dan 60 dagen is alleen toegestaan als aangetoond kan worden dat dit voor geen van beide partijen nadelig is. De betalingstermijn mag niet onredelijk zijn.
Overheden zijn verplicht om ontvangen facturen binnen 30 dagen te betalen. Heeft een overheid betalingsachterstand, dan mag een schuldeiser rente in rekening brengen.

Van bovenstaande kan niet contractueel afgeweken worden. Indien u aldus geconfronteerd wordt met afwijkende termijnen kunt u gerust naar bovenstaande verwijzen. Indien u als ondernemer wenst te checken of uw algemene voorwaarden overeenstemmen met de huidige wet- en regelgeving kunt u altijd contact met mij opnemen voor een eerste vrijblijvend gesprek. http://www.scherpadvocaten.nl/

Marianne Zeeman

 

contract

Non-concurrentiebeding in franchiseovereenkomsten

Zijn er mogelijkheden om de geldigheid hiervan aan te tasten?

Zoals bekend kan een werknemer regelmatig de houdbaarheid van een bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst  overeengekomen non-concurrentiebeding aantasten. Maar hoe zit het met de franchisenemer die met een (grote) franchisegever een franchiseovereenkomst heeft gesloten? Kan de franchisenemer bij de beëindiging van deze franchiseovereenkomst ook onder omstandigheden onder het eerder gesloten non-concurrentiebeding uit?

Franchisenemers ontvangen bij het toetreden tot een franchiseformule vaak vertrouwelijke informatie van de franchisegever. Ook komt het vaak voor dat de franchisegever een franchisenemer in contact brengt met allerlei relaties. Iedereen voelt aan z’n water aan dat het natuurlijk niet de bedoeling is dat een franchisenemer de franchisegever enkel als ‘opleidingsinstituut’ gebruikt en de franchisenemer aldus na een (relatief) korte periode vrijwillig afscheid neemt van de franchiseformule om vervolgens concurrerende activiteiten te ontplooien met gebruikmaking van de eerder verkregen kennis, netwerk en knowhow. Om te voorkomen dat de door de franchisegever aan een franchisenemer overgedragen kennis en knowhow na het einde van de franchiseovereenkomst voor zogeheten oneigenlijke concurrentie wordt gebruikt, zal de franchisegever (onder andere) een zogeheten postcontractueel non-concurrentiebeding willen afspreken.

De franchisegever moet aldus in staat moet worden gesteld om zijn kennis en knowhow over te dragen aan een franchisenemer en daarbij preventieve maatregelen te nemen zonder het risico te hoeven lopen dat deze informatie ten goede komt aan concurrenten.

Maakt dat het door partijen overeengekomen postcontractueel non-concurrentiebeding onaantastbaar? Nee, maar het terzijde leggen van een dergelijk beding kan (logischerwijs) niet zonder meer.

Hieronder bespreek ik een aantal argumenten op basis waarvan bij of na de beëindiging van de franchiseovereenkomst de franchisenemer succesvol zou kunnen ageren tegen het postcontractueel gesloten non-concurrentiebeding.

Strijd met mededinging

Een non-concurrentiebeding is in beginsel strijdig met de mededinging; het beding belemmert immers dat een ondernemer zijn eigen beleid kan bepalen. Omdat echter de franchisegever in staat moet zijn om vertrouwelijke informatie aan een franchisenemer te verstrekken zonder het risico te lopen dat deze informatie ten goede komt aan concurrenten, is een non-concurrentiebeding in beginsel toelaatbaar.

Een postcontractueel non-concurrentiebeding kan echter in strijd zijn met het kartelverbod opgenomen in de Mededingingswet. Is er echter sprake van een ‘kleine’ franchiseformule, met een beperkte omvang en minimale jaaromzet, dan kan de ‘kleine’ franchisegever waarschijnlijk een beroep kunnen doen op de zogenoemde ‘bagatelvoorziening’ en is een beroep op de Mededingingswet om het non-concurrentiebeding van tafel te krijgen kansloos. Meer informatie hierover kan worden ingewonnen bij de advocaten van Scherp Advocaten.

Redelijkheid en billijkheid: onaanvaardbare gevolgen

Een contractuele bepaling tussen partijen is niet van toepassing als deze bepaling (gelet op de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) onaanvaardbare gevolgen heeft. De franchisenemer zal derhalve dienen te stellen en – bij betwisting door de franchisegever – te bewijzen dat het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als hij / zij aan het desbetreffende non-concurrentiebeding wordt gehouden.

Of een non-concurrentiebeding in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar wordt geacht door een rechter, is een beoordeling waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Denk daarbij aan de looptijd van de franchiseovereenkomst, de duur en omvang van het non-concurrentiebeding, de activiteiten die een franchisenemer feitelijk gedurende de franchise heeft uitgevoerd, alsmede de persoon van de franchisenemer zelf. De gevolgen van nakoming van het non-concurrentiebeding spelen ook een rol, zoals het verstoken blijven van inkomsten, alsmede het ontbreken van mogelijke alternatieven om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Het feit dat een voormalige franchisenemer gedurende een bepaalde periode verstoken blijft van inkomsten betekent niet automatisch dat het non-concurrentiebeding onaanvaardbaar zou zijn, temeer als de desbetreffende franchisenemer het non-concurrentiebeding eerder willens en wetens heeft aanvaard.

Voor deze beoordeling zijn ook de wijze en het moment waarop de franchiseovereenkomst is komen te eindigen van belang, alsmede het verwijt dat (een van de) partijen daarvoor mogelijkerwijs te maken valt.

Een franchisenemer die uit eigen beweging de franchiseovereenkomst beëindigt, zal minder snel bescherming genieten dan een franchisenemer die noodgedwongen en voortijdig de samenwerking heeft moeten staken. Daarentegen kan een franchisenemer onder omstandigheden niet gehouden worden het postcontractuele non-concurrentiebeding na te komen indien franchisegever beëindiging van de overeenkomst te wijten heeft aan ‘haar eigen opstelling en gedrag’. Het gerechtshof Den Bosch heeft in dat kader bepaald dat indien het laakbaar geachte gedrag van de franchisegever bestaat uit het voorafgaand aan het tekenen van de franchiseovereenkomst, verstrekken van een ondeugdelijke exploitatieprognose aan de (kandidaat-)franchisenemer, dat dan de nakoming van het non-concurrentiebeding (in dat specifieke geval) niet kan worden gevorderd.

Ander laakbaar gedrag is uiteraard ook zonder meer denkbaar, zoals bijvoorbeeld een schending van de zorgplicht van de franchisegever aangaande voortdurende ondersteuning en bijstand. Dit dient echter wel zorgvuldig door de franchisenemer worden onderbouwd hetgeen niet beschouwd dient te worden als een sinecure.

Voor zover de door een franchisenemer gestelde onaanvaardbaarheid voortvloeit uit een omstandigheid die voor rekening en risico dient te komen van een franchisenemer zelf, dan zal de rechter dat onder het kopje ‘ondernemersrisico’ scharen. Het kan de franchisegever dan niet worden tegengeworpen. De omstandigheid, bijvoorbeeld, dat de (ex-)franchisenemer mogelijk een faillissement riskeert door het non-concurrentiebeding na te moeten komen, dient in beginsel voor rekening en risico te blijven van de (ex-franchisenemer. Die lijn is onlangs door rechters van de rechtbanken te Amsterdam, Den Haag en Midden-Nederland in drie verschillende kwesties bevestigd.

De rechtbank Den Haag oordeelde echter wel dat dat het de (ex-)franchisenemer enkel verboden was om concurrerende activiteiten te ontplooien vanaf het moment dat de franchisegever in het contractsgebied daadwerkelijk weer een onderneming (in dat specifieke geval een boekwinkel) zou gaan (laten) exploiteren. Tot dat moment mocht de (ex-)franchisenemer dus, in strijd met het non-concurrentiebeding, concurrerende activiteiten ontplooien. Zeer recent heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland ook een non-concurrentieverbod buiten toepassing verklaard omdat de franchisegever slechts een gering belang had bij handhaving van het beding. In het contractsgebied zou nadat de franchiseovereenkomst uiteindelijk was beëindigd, zich geen andere franchisenemer gaan vestigen. Er zou aldus geen concurrentie plaatsvinden.

De rechter zal bij de beoordeling of dit argument kan slagen echter de nodige terughoudendheid moeten betrachten: er moet aan zware eisen worden voldaan voordat een contractueel overeengekomen beding onaanvaardbaar wordt geacht.

Onredelijk bezwarend beding

Naast voornoemde route kan eveneens als argument worden ingebracht dat het beding gekwalificeerd dient te worden als een algemene voorwaarde en dat deze onredelijk bezwarend is. Dit argument wordt vooral in de literatuur naar voren gebracht.

Voor de beoordeling of een non-concurrentiebeding onredelijk bezwarend is, zijn onder meer van belang de aard en overige inhoud van de franchiseovereenkomst, de wijze waarop het non-concurrentiebeding tot stand is gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen, de deskundigheid en rechtskennis van partijen, de onderlinge verhouding van partijen, de (deskundige) begeleiding van partijen, de maatschappelijke positie van partijen en de overige omstandigheden van het geval. Net als in voornoemde route is er derhalve sprake van een casuïstische beoordeling van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval.

Het is aan de franchisenemer om te onderbouwen waarom het non-concurrentiebeding in zijn/haar optiek onredelijk bezwarend is. Zo kan nagenoeg altijd worden opgemerkt dat de franchisenemer geen

invloed kan uitoefenen op de inhoud van de franchiseovereenkomst, dus ook niet op het non-concurrentiebeding. Het kan daarbij van belang zijn of een franchisenemer ten tijde van het tekenen van de franchiseovereenkomst is bijgestaan door een advocaat/jurist. Wat betreft de belangenafweging zal het doorgaans gaan om een afweging tussen de belangen van een franchisenemer om in zijn levensonderhoud te kunnen (blijven) voorzien en de belangen van de franchisegever om geen oneigenlijke concurrentie te hoeven dulden. Wordt door een rechter geconcludeerd dat een non-concurrentiebeding onredelijk bezwarend is, dan kan een franchisenemer het beding vernietigen. De franchisegever kan er dan geen beroep (meer) op doen.

Indien het non-concurrentiebeding echter niet in alle/het merendeel van de door de franchisegever gesloten franchiseovereenkomsten zijn opgenomen (of in gewijzigde vormen) dan kan de franchisegever eenvoudig aantonen dat er geen sprake is van een algemene voorwaarde en zal dit argument niet kunnen slagen.

Last but not least: onduidelijkheid beding

Indien toch vastgesteld wordt dat het non-concurrentiebeding niet op voorgaande gronden kan worden aangetast en deze aldus (geheel/gedeeltelijk) blijft bestaan, kan tenslotte op de inhoud van het beding vaak nog wel wat worden aangemerkt.

Non-concurrentiebedingen blinken vaak niet uit in duidelijkheid en leesbaarheid. Daardoor kan tussen partijen discussie ontstaan over de uitleg van het non-concurrentiebeding. Voor de wijze waarop een beding in een overeenkomst moet worden uitgelegd zijn van belang alle omstandigheden van het concrete geval. Daarbij moet niet alleen gelet worden op de letterlijke tekst van het non-concurrentiebeding, maar komt het ook aan op de zin die partijen over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De franchisenemer heeft een klein strategisch voordeel ten opzichte van de franchisegever. De rechter zal een non-concurrentiebeding gezien de aard van het beding immers restrictief moeten uitleggen: dat houdt in dat een onduidelijk non-concurrentiebeding in beginsel ten nadele van de opsteller van het beding (lees: de franchisegever) moet worden uitgelegd.

Het is aan de franchisegever om te bewijzen dat zij de bepaling anders bedoelden dan de uitleg die de franchisenemer eraan geeft en dat de franchisenemer bij ondertekening van de overeenkomst bekend was met deze uitleg. Dat kan een lastige opgave worden voor de franchisegever en reden te meer is bij het opstellen van dergelijke bedingen zo belangrijk om niet zomaar een bepaling te ‘knippen’ en ‘plakken’ uit een model/overeenkomst van een concurrent.

 

Meer vragen over franchiseovereenkomsten? Ik ben net als mijn kantoorgenote Rosie de Weerd gespecialiseerd in contractenrecht en krijg veelvuldig te maken met (o.a.) franchiseovereenkomsten. Wij staan zowel franchisegevers al franchisenemers bij. Zowel voor advies voorafgaand bij het aangaan van franchiseovereenkomsten, (proces)advies indien de eerste barsten in de samenwerking zijn ontstaan, als bijstand indien er reeds een geschil is gerezen, wij kunnen u bijstaan.

 

contract

Payrollwerknemers krijgen grotere ontslagbescherming

Ontslagbesluit per 1 januari 2015 aangepast voor payrollwerknemers.

Werknemers in dienst van payrollbedrijven krijgen vanaf 1 januari a.s. al een grotere ontslagbescherming. Vanaf dan wordt de ontslagaanvraag bij het UWV getoetst alsof de werknemer in dienst is bij de inlenende werkgever. Het blijft wel de formele payrollwerkgever die het ontslag moet aanvragen. Zo blijkt uit het nieuwe ontslagbesluit dat Minister Asscher op 25 november jl. heeft gepubliceerd.

Bij payrolling werft en selecteert de inlenende werkgever zelf de ingeleende werknemer. Bij uitzending wordt dit door het uitzendbureau gedaan.  In het huidige recht geldt dat wanneer de payrollopdracht bij de inlener eindigt, het payrollbedrijf alleen dit gegeven bij het UWV hoeft aan te tonen om de arbeidsrelatie te mogen beëindigen. In het nieuwe recht wordt het ontslag echter getoetst alsof de werknemer in dienst is van het inlenende bedrijf. Het payrollbedrijf moet dus bij een economische reden ook de noodzaak aantonen en zal het afspiegelingsbeginsel moeten toepassen Bij een reden die met het functioneren te maken heeft zal er aan de voorwaarden voor dat ontslag ook worden getoetst alsof de werknemer in dienst is van de inlener.

Voor arbeidsovereenkomsten die worden aangegaan vanaf 1 januari 2015 gelden deze wijzigingen. Zodra het algehele ontslagrecht wijzigt per 1 juli 2015 (WWZ), zal dit echter onmiddellijke werking hebben en dus ook van toepassing worden op eerder aangegane arbeidsovereenkomsten.

Bron: Transport & Logistiek Nederland – Natalie Schaap

geld

[gastblog] Slachtoffer van wanbetaler?

Bij het tot stand komen van een overeenkomst kan er van worden uitgegaan dat deze overeenkomst positieve gevolgen met zich mee moet gaan brengen voor alle betrokkenen. Partijen gunnen elkaar de opdracht en gaan voor elkaar aan de slag. Als opdrachtnemer steek je veel energie, tijd en vaak ook geld in de ontvangen opdracht om deze zo goed mogelijk uit te voeren. Je doelstelling is immers het realiseren van een tevreden opdrachtgever. Dan is het moment suprême daar en lever je de dienst of het product met volle trots en gaat je hart sneller kloppen bij het waarnemen van een gelukkige opdrachtgever.

Ordinaire wanbetaler

Vanaf dat moment ligt de bal bij de opdrachtgever en zal hij de door jouw opgestelde factuur binnen 14 dagen moeten voldoen. Na 20 dagen constateer je, tijdens het internetbankieren, dat de factuur helaas nog niet is voldaan. Daar kunnen natuurlijk vele legitieme redenen voor zijn en binnen enkele minuten ligt de herinnering in een gesloten envelop bij de overige brieven die vandaag op de post moeten. Ook deze herinnering en de twee aanmaningen die volgen leiden niet tot betaling. Ongelooflijk, de opdrachtgever leek zo een aardige en betrouwbare man en nu is het niets meer dan een ordinaire wanbetaler.

Alles voor niets!

Wat doen de ‘slachtoffers’ van wanbetalers? Het komt helaas nog vaak voor dat bedrijven ervoor kiezen om de openstaande vordering af te boeken en zo hun marge laten schieten. In mijn optiek een onverstandige beslissing, hetgeen ik zal onderbouwen met een voorbeeld. Stel, je haalt als ondernemer zijnde iedere werkdag één opdracht binnen en op iedere opdracht zit 10% marge. Dit betekent dus feitelijk dat je als ondernemer bij één wanbetaler twee weken voor niets hebt gewerkt. Deze twee weken had je dus ook lekker op een willekeurig strand kunnen doorbrengen. Alles voor niets dus! Dit terwijl je als crediteur recht hebt op het openstaande bedrag want jij hebt je immers keurig aan je deel van de overeenkomst gehouden.

Komt de wanbetaler er mee weg of niet?

Onderzoek van het Verbond van Creditmanagement Bedrijven (VCMB) heeft uitgewezen dat ondernemingen van mening zijn dat incassotrajecten de relatie met de klant onder druk zet, waardoor men te snel voor afboeken kiest. Niet een geheel onbegrijpelijk standpunt, maar het kan toch niet zo zijn dat je als rechthebbende het er dan maar bij laat zitten en dat de wanbetaler er nog mee weg komt ook? Angst hoeft niet altijd een slechte raadgever te zijn, maar in dit geval is het dat wel. Hoe hoog heeft de klant u eigenlijk zitten nu hij u zo in verlegenheid brengt? Moet u een relatie willen met iemand die een wanbetaler blijkt te zijn? Daarnaast is de wanbetaler zich ervan bewust dat u nog een vordering op hem hebt, wat met zich meebrengt dat hij niet verrast zal zijn op het moment dat wij, voor u, hem aanschrijven. Hij had immers naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde gedaan. Wel zal hij schrikken en zal hij deze brief serieuzer nemen dan alle correspondentie, met alle respect,van uw zijde. Vanaf dat moment weet debiteur, dat hij op relatief korte termijn, in rechte betrokken zal worden indien hij geen haast maakt met betalen met alle (financiële) gevolgen van dien.

Vergeet de term ‘wanbetaler’ en geef Van Loon Incasso Advocaten de kans om de openstaande vordering (ook nog gratis!) te innen voor u!

Meer weten? Neem contact op met Van Loon Incasso Advocaten via info@incassoadvocaten.nl of kijk op onze website: www.incassoadvocaten.nl

 

 

juridisch Boeken

Verplichte registratie van onderhandse pandaktes bij de Belastingdienst: hoe werkt dit?

Sinds jaar en dag vragen partijen die een financiering verstrekken zekerheidsrechten in de vorm van pandrechten van de kredietnemer. Er zijn twee vormen van pandrechten: pandrecht op vorderingen en pandrecht op roerende zaken (alle zaken die niet onroerend zijn). In het laatste geval kan weer een onderscheid worden gemaakt tussen een pandrecht waarbij de roerende zaak in de macht van de pandhouder (de verstrekker van de financiering) wordt gebracht of waarbij de roerende zaak in de macht van de pandgever (de kredietnemer) wordt gebracht.

Pandaktes op vorderingen en pandaktes op roerende zaken die niet in de macht van de pandhouder (de verstrekker van de financiering) worden gebracht en welke onderhands worden gevestigd (dus zonder tussenkomst van de notaris) moeten worden geregistreerd bij de Belastingdienst.

De voornaamste reden waarom voornoemde pandaktes geregistreerd dienen te worden bij de Belastingdienst, is volgens de Hoge Raad het voorkomen van antedateren. Door de registratie wordt bewijs verkregen van de datum van vestiging van het pandrecht. De inhoud van de aktes wordt aldus niet geregistreerd.

Het aanbieden van pandaktes aan de Belastingdienst ter registratie is niet ingewikkeld. De ondertekende pandakte (of een kopie van deze akte) kan persoonlijk worden afgegeven bij of per post worden opgestuurd naar het belastingkantoor dat de akten registreert.

Indien de akte persoonlijk wordt afgegeven geldt als datum van registratie de dag waarop de akte wordt afgegeven; indien de akte per post wordt opgestuurd, geldt de dag waarop de Belastingdienst de akte heeft ontvangen.

Sinds kort kan de akte niet meer bij het plaatselijke belastingkantoor worden geregistreerd maar alleen nog bij het belastingkantoor in Rotterdam. Voor meer informatie over dit belastingkantoor verwijzen wij u naar de link op de website van de Belastingdienst.

Marianne Zeeman – Scherp Advocaten

 

 

faillissementen efficiënter afwikkelen

Annuleringsbedingen en matiging van boetebedingen

Recentelijk werd ik door cliënt benaderd die zeer ruim voor de datum van een bijeenkomst de komst van zijn team (bestaande uit 20 man/vrouw) annuleerde en toch een forse rekening gepresenteerd kreeg. De contractspartij waarmee mijn cliënt zaken had gedaan, verwees naar een annuleringsbeding opgenomen in de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden. In dit beding was opgenomen dat bij annulering evengoed verplicht was aan de opdrachtnemer te betalen.

De cliënt kwam naar mij toe met de doodeenvoudige opmerking: “Dat kan toch niet kloppen? Mijn contractspartij heeft amper kosten moeten maken, kunnen nu de plaatsen gewoon opnieuw verkopen en worden hier dus beter van”. De contractspartij stelde zich echter op het standpunt dat hij gewoon uit hoofde van het annuleringsbeding recht op het gevorderde bedrag had. Hij had bovendien wel degelijk kosten gemaakt.

Hoe zit het nu juridisch met het annuleren van een dienst en een in dat kader overeengekomen annuleringsbeding?

Annuleringsbedingen worden in de automobielbranche, door cursusaanbieders en in de horeca- / cateringbusiness veelvuldig in de overeenkomst opgenomen. Een annuleringsbeding kan worden gekwalificeerd als een boetebeding. Een boetebeding is afhankelijk van het toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van een overeenkomst (ook wel in de volksmond beter bekend als wanprestatie). Er is een verschil tussen zuivere (eigenlijke) boetebedingen en oneigenlijke boetebedingen. Dit laatste type is niet in de wet vastgelegd maar gevormd in de rechtspraak.

Het oneigenlijke boetebeding ziet op een afspraak tussen partijen, waarbij de schuldenaar een bepaalde prestatie mag verrichten en wanneer hij dat niet doet een andere prestatie moet verrichten. Bij het oneigenlijke boetebeding is slechts één prestatie “verplicht” en wel onder de voorwaarde dat de andere prestatie niet wordt verricht. In de literatuur wordt ook wel bepleit dat een annuleringsbeding het karakter heeft van een oneigenlijk boetebeding.

Kan dit annuleringsbeding als zijnde oneigenlijke boetebeding gematigd worden? Ja, door de Hoge Raad is bepaald dat net als bij zuivere boetebedingen de rechter de boete op verzoek van één van de partijen kan laten matigen, ‘als de billijkheid dat klaarblijkelijk eist’ maar alleen als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal een rechter die tot matiging over wenst te gaan niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

Naast matiging van de boete kan er door één van de partijen een beroep op worden gedaan dat er op de boete (gedeeltelijk) geen beroep kan worden gedaan op basis van artikel 6:248 lid 2 BW, omdat het boetebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (al dan niet gedeeltelijk) onaanvaardbaar is.

Dat cliënt in beginsel een vergoeding verschuldigd was voor de kosten die zijn contractspartij in het kader van de overeenkomst reeds had gemaakt en voor de schade die de contractspartij heeft geleden door het annuleren door cliënt stond buiten kijf echter – geheel in lijn met de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 juli 2008 – het is echter wel aan de contractspartij om te stellen en – bij betwisting – tenminste aannemelijk te maken dat zij kosten heeft gemaakte en/of schade heeft geleden en tot welk bedrag.

Als u (tijdig) een dienst annuleert, accepteer dan dus niet onmiddellijk dat u een hoge en niet in verhouding tot de door de andere partij reeds gemaakte kosten en eventuele geleden schade zijnde vergoeding (opgenomen in een tussen partijen overeengekomen annuleringsbeding) moet betalen. In dit specifieke geval hebben partijen een schikking getroffen waarbij cliënte nog een klein bedrag verschuldigd was aan de contractspartij. Door tussenkomst van een advocaat kan het treffen van een dergelijke schikking eenvoudiger zijn omdat de andere partij dan door de advocaat bewust kan worden gemaakt dat opname van een annuleringsbeding in een overeenkomst niet zomaar de conclusie rechtvaardigt dat bij annulering hij/zij ook zonder meer recht heeft op het bedrag opgenomen in het annuleringsbeding, tenzij dit bedrag natuurlijk meer dan redelijk is.

 

Marianne Zeeman – Scherp Advocaten